maandag 22 december 2014

Oldenzaal tijdens de Salische Franken, vijf wandelingen rond Oldenzaal (1901): tweede wandeling

TWEEDE WANDELING

Voor onze tweede wandeling verlaten wij de stad langs den weg naar Bentheim, een van de prachtigste wegen, die mij in ons land bekend zijn. Vroeger liepen in die richting verschillende stegen en paden, die in het jaar 1752 onbruikbaar waren, zooals uit het Oldenzaals archief blijkt. De weg naar de Lutte liep door een Stege bijlangs een woeste kamp van het provinciale erve Wevelkate, welke stege door het opwellen van water geheel onbruikbaar was geworden en de andere wegen naar den kant van de Lutte ook bijna onbruikbaar waren, waarom de boeren niet naar den stadsmolen konden komen.
In den oudsten tijd moeten de wegen uit het oosten door de Hofmeijerschpoort hebben geloopen; daarna liep de hoofdweg om de oostzijde der stad en kwam door de zuidelijke- of Steenpoort binnen. Nu loopt hij door de oude bisschopspoort in het noorden.
Als wij den macadamweg volgen, hebben wij de Fonteinbeek rechts naast den weg. Bij de allée of het Kistenmakersboschje, dat in 1760 door rigter Bos is aangelegd, is zij onder door den weg geleid; wij volgen haren loop opwaarts. De buitensocieteit links latende liggen, stijgt de weg langzaam en heet de Fonteinsteeg; dáár waar de helling, aan de noordzijde van den Tankenberg, weder benedenwaarts gaat, heet hij “Witten wijvensteeg" en loopt langs een, door een bron uitgespoelden grooten kuil, oostwaarts van het Rickert. Aardmannetjes, ook kobolten en kabouters genoemd en witte wijven huizen aan dezen weg en vertoonen zich somtijds.

Eenige passen verder vereenigt de weg zich met de Rickertstegge, die langs het Rickert, den Weusthof en de Symerink loopt. Oudtijds liep waarschijnlijk die weg in westelijke richting tot aan den ouden weg naar Rossum en kwam daarmede vereenigd aan de noordzijde de stad binnen. De plaatsnaam Symerinck besprak ik reeds hiervoor; Weusthof beteekent waarschijnlijk Woeste hoeve; de familienaam was in 1773 Woesthof.
De naam Rickert vereischt een nader onderzoek. De familienaam luidt even zoo. Rikken is afperken, omrasteren. Riksel in Noord-Brabant leidt Hermans, Dl. II, 382, af van eenen Rixo. De naam Riksen is op de Veluwe bekend; Ricfrit was de voorlaatste graaf van Twenthe. Zweden heeft veel koningen met name Erick gehad, doch de eerste schijnt een god geweest te zijn, die groote wegen aanlegde, Riksgata naar Rigr genoemd. In de 15e en 16e eeuw toog elke nieuwe koning langs die wegen, om zijn volk te bezoeken en zijn vrijheden te bevestigen, hetgeen Eriksgatu ridha heette. Nu ligt het Rickert volgens mijn gevoelen aan den oudsten weg uit deze buurt; hij loopt naar Schuttorf zooals wij zullen zien en heet “doodenweg". Het gotische Reiks beteekent hoog edele man, geen koning en ons Rix, in Ambiorix is “bezitter van". Riki is gelijk God (Grimm , s. 17). Als het woord Rikkert van een van die woorden afkomt, dan staat de plaats zeer zeker in verband met het heiligdom, dat iets meer oostelijk op Tancenberg stond. Een uur zuidelijk van Tubbergen ligt de hoeve Rikman en in de Lutte is een familienaam Olde Rikering. Wanneer de wind door het koorn waait en de bevruchting heeft plaats, zegt men dat het everzwijn van Freijer door de rogge loopt. Het koornspook wordt Rockert, ook rockertweibele, rockenmör genoemd, doch is dàn eene akker beschuttende godin, in verband met Holda. In Lonneker is eene hoeve, Rockerink genaamd; zoude die naam hetzelfde als Rickert beteekenen? Ik durf hierin niet beslissen. Onze hoeve was vroeger rijksdomein; een oude Taxisboom staat bij het huis.
Aan het Rickert is eene overlevering verbonden die betrekking heeft op de Hunnen) die op den berg woonden. Een blinde hunnevrouw sprak eens den knecht van het Rickert aan, die bezig was met een mestvork den mesthoop op te maken. Zij vertelde dat zij nog nooit een menschenvinger had gevoeld en dit zoo gaarne wilde. De knecht stak haar den steel van de mestvork toe, die de vrouw in woede fijn wreef. De Hunnen of liever Huynen zouden buitengewoon sterk zijn geweest.
Eenige minuten oostwaarts van de hoeve ligt de uitgespoelde kuil, waarover ik hiervoor bij de Witte Wijvensteeg sprak. De bron, Springbecke, loopt door een duiker onder den weg door, dan langs eene weide, die men in Twenthe "fenne" noemt. Het gat zelve heeft wanden die met boomen en onderhout, braamstruiken, kamperfoelie en meer andere struikgewassen zijn bezet. Hier zegt men, was de grot van Tanfanae, die men zich als eene godin voorstelt.

Wij volgen nu den weg verder en wel den hoofdarm in oostelijke richting; hij heet “doodenweg", zooals ik mededeelde en ook wel "helweg ". Volgens het markeregt van de Lutte werd in de Holtinck, 10 November 1602 bepaald: "Dat een Ieder Marcke frij stehet öhr Marcke tho te slaen, des sall der tho slaen achtien voett van der Laicke bliuen, sollen oeck alle hellewege un beschlagen bliuen."
Helwegen, doodenwegen, grafwegen zijn dezelfde; hel en graf hebben dezelfde beteekenis. Helwegen zijn ook dikwijls heerwegen. Na de invoering van de Christenleer werd bij de wet bepaald, langs welke wegen de lijken naar de kerkhoven vervoerd moesten worden, om het heimelijk verbranden daarvan tegen te gaan. Overtredingen werden door het bisschoppelijk rondgaand gerecht "de Zend" genaamd, streng, ja met den dood gestraft. Hier is dus zulk een weg voor de noordelijke Lutte.
Eenige honderden passen noordoostelijk van het Rickert, iets noordelijk van den weg, ligt nog eene hoeve Symerinck, doch in onderscheiding van de eerste (Derkboer) wordt deze Siemertsharm of erve Siemert genoemd. Een perceel land "de Zunnegaarden" ligt daarbij, de helft daarvan behoort nu nog maar bij de hoeve, de andere helft ligt in de weide van Muller. Een oude, breedgetakte eikeboom stond daarbij, hij is helaas in 1899 geveld. Hier hebben wij dus eene plaats op den Tancenberg aan de Zon gewijd, terwijl de eikeboom waarschijnlijk deel uitmaakte van de heilige plaats, zooals in de Lutte in de Rader huije ook voorkomt.

Keeren wij tot den Doodenweg terug. Tot nabij Barg-Harbert is hij nog aanwezig; daar liep hij vroeger tegen de hoogte op langs den Haanakker en Paaschenberg, langs de hoeve "Uphuisz", verder zuidelijk van Casa Duivendaal, Hoog- en Laag Kavik of Caverick en liep verder ten zuiden van den Stuet- of Stutthof, over de Jeuninck- of Kriptenbrug, waar een bisschoppelijke tol was, over de Dinkel, dan door de buurtschap Holt (naar Holda, Grimm , III, s. 87) en verder naar Schuttorf en Rheine. De hoogten van Gildehaus en Bentheim werden zoo vermeden.
Volgens overlevering werden de lijken van boeren van oudhoeven te Oldenzaal in de kerk, de minderen daar buiten begraven. De Lutte kreeg eerst in het begin van de XIXe eeuw een eigen begraafplaats en kerk.
De Doodenweg komt nabij het Sweer Gat, Middelkamp en de Hel, waarover later, op het grondgebied van de Lutte en wel in de Rooder-, Roeder- of Rhaeder huije; de bewoners heeten Rhaedermans. Op eene kaart, van een 90 jaren oud, staat Rader veld; op onze militaire kaart Roorder Heurne. Ik geloof niet dat de naam met de kleur rood in verband staat, hoewel ook het vroegere kasteel Rodenburg bij Leiden, Radenburg heeft geheeten.
Ook Roord, geloof ik, is onjuist; dat heeft men in verband willen brengen met den persoonsnaam Roord op de hoeve Sorck, doch deze familie is uit een ander dorp afkomstig. Mijns inziens staat de naam in verband met de Zon die bij de 36e Limite in die huije gelegen, werd vereerd, bij de Sonnen telge en waarschijnlijk ook bij de hoofdhoeve van de Heurne, de Reuver. Zie omtrent de Zonnevereering hetgeen ik hiervoor daarover heb vermeld. In de Lonniker marke is eene hoeve Rotardinc. Daar de Zon soms het oog van Wodan wordt genoemd, is het natuurlijk dat ook die God zijne vereering in deze huije vond evenals de Lichtgod Balder. In Nederland zijn vele plaatsnamen in verbinding met Zon en Son.

De Doodenweg is tot bij de twee hoeven Barg-Harbert een breede weg, bij regenachtig weer per rijtuig niet goed te gebruiken door de slechte afwatering van eenige beken. De hoevenaam Barg-Harbert, in onderscheiding van Dinkel-Harbert zóó genoemd, was in 1440 Harberting en in 1619 Harbertinck en komt ook voor te Beuningen aan den weg naar Denekamp. Te Stegeren, Ambt Ommen is een Harbartinck, nu ook Milling genoemd.
Harbaro is een naam van Wodan en in oudnoordsche gedichten Harbarur, Vlasbaard, die geheel met den hoevenaam overeenkomt (Herburgius zoude keteldrager voor de heksen beteekenen. Grimm. R. A. s. 645 en vergelijk Myth. s. 873).
Tusschen Barg-Harbert, Uphues of Uphuisz en de Belvedère, waar vroeger de Völcker (1440 Volkerinck) bij lag, ligt de Haanakker en de Paaschenberg. De eerste naam heeft betrekking op Donar; er stond vroeger een huis op en de tweede op de Paasch- of Meifeesten, toen hier vuren werden gebrand. De stege die van Pierik, aan den weg naar Denekamp, over Dalhuis (1440, Daelhuiss in 1619) hier langs loopt, zoude Hondestege heeten.
Bij Terborg zijn Paaschbergen; bij Arnhem en Wageningen Paaschweiden; Paaschkamp een half uur zuidoostelijk van Zelhem; Paasloo anderhalf uur noordwestelijk van Steenwijk en een Paaschhoef 20 min. oostelijk van Gemert. Dit zijn alle plaatsen waar vuren werden ontstoken ter eere van de godheden die invloed op den oogst uitoefenden. De Haanakker en Harbert wijzen aan dat Donar en Wodan hier tot die goden behoorden.
Zij die deze plaats bezoeken verzuimen niet op de Belvedère van het prachtige uitzicht te genieten; dank "de vereeniging ter bevordering van het vreemdelingenverkeer te Oldenzaal", kan men deze en meer andere plaatsen, die door natuurschoon uitmunten, goed per as bereiken. In Nederland zal men te vergeefs naar een mooier natuur en gezonder lucht zoeken, dan in de omstreken van Oldenzaal en de Lutte worden gevonden.
De Völker op den berg bestaat niet meer; de Olde Völcker ligt in de vallei, noordelijk van den berg. Daarbij is eene steenbakkerij van den heer A. Nieuwenhuis te Oldenzaal; ook ligt een heilige bult in de nabijheid waar vroeger een kapel of bedehuisje heeft gestaan.
Te Heino en te Geesteren bestaan huizen die Volcker heeten en te Weerselo is een Volckerbroeck. Een verklaring van den naam kan ik niet geven. Met Völker, Volhheri een held in de Nibelungen, zal die wel niets gemeen hebben. De eigenaar van Olde Völcker vertelde mij, dat hij, toen hij eens een nacht bij de Tiggelarij doorbracht en voor het huis zat, van de zijde van den Haeckenberg over het Hunnen- of Huyntveld tot driemaal angstig 0 God! hoorde roepen. Hij maakte zich reeds gereed om zoo noodig hulp te gaan verleenen, toen een zijner werklieden hem zeide, dat zulk roepen meer gehoord werd, Hij was er zelf eens op afgegaan, doch toen was hem een spook langs het hoofd gevlogen dat met veel geraas in het bosch verdween. Hoewel hij takken had hooren breken, was den volgenden
morgen geen spoor van het spook te vinden. Ook wordt verhaald dat bij Teggelaar, nabij Olde Völcker, een knecht eens de (witte wijven?) Hunnen beschimpte, hen opriep om te verschijnen, opdat hij hen aan het spit zoude braden. Nauwelijks verschenen zij, of hij vluchtte en wierp het spit van zich. De Hunnen vervolgden hem en toen hij zich in een schuur redde, wierpen zij hem het spit achterna. Dit verhaal, met eenige veranderingen, komt op meer plaatsen in Twenthe voor.

Nog liggen daar in de vallei twee hoeven, "de Honde start" en de Snappert, ook Snapop en Snippert genoemd. Bij de eerste hoeve ligt een mooi hoog perceel bouwland, dat vroeger "hondenkamp" heette, nu "de blinde Haar". Honden staan hier: mogelijk met Wodan in verband; men vertelt echter ook, dat hier vroeger twee jachthonden van den Drost moesten onderhouden worden. Snippert is waarschijnlijk afkomstig van Snippenkamp, zooals in de Hengeler huije voorkomt. Snieder Lubbert en Steghuis liggen een weinig noordoostelijk, dicht bij Duivendaal. Op al die plaatsen heeft men de Tüpisjacht herhaaldelijk gehoord. Uphues is zeer hoog gelegen, zooals de naam aangeeft; opmerkelijk is het dat op dit hooge punt de waterput meest gevuld is tot gelijk met den beganen grond, ja soms hooger. Hetzelfde is het geval met een nu gesloten put, die bij de Vroegere Völcker behoorde.
Hier in de nabijheid heb ik te vergeefs gezocht naar de hoeven Potterinc (1440) en Voghelsanc (1440) of Voegelsanck (1619). Wel vind ik op een oude kaart Vogelstang en werkelijk moet bij Uphues een stang gestaan hebben om op den vogel te schieten. Een hoeve de Sängert of Senger, die hier vroeger noordoostelijk van Ophues lag, kan het geweest zijn, doch is sedert dat de eigenaar, in de Fonteinsteeg op Tancenberg, werd doodgeschoten, reeds lang afgebroken. Potterinc is niet te vinden; waarschijnlijk kwam de in Oldenzaal bekende familienaam Potken van daar. Bij de twee hoeven Barg Harbert ligt de hoofdhof van Rhaeder huije. In 1440 Rouerinc, in 1618 Roeuer, nu Reuver genoemd; ik kan alleen eene verklaring van dien naam vinden in ruwerie, rouwerie gelijk woeste heidegrond (Overijs. alm. 1836). Zeker is in de schrijf- en spreekwijze een fout gekomen; in de drie andere huijen toch zijn hoeven die dezelfde namen als de huijen dragen. De hoeve zal Roderinc, Roeder en Reuder bebben gebeeten. Ook in de namen Wevelkate en Wevelstad is de v in plaats van een d gekomen, zoodat die Wedelkate en Wedelstad moeten heeten. Twee uren van Venlo ligt een dorp de Reuver, bij Belfeld. De hoeve in de Lutte zou dan evenals de geheele Huije aan de Zon zijn gewijd.
De hoeve Egberting (1440), Egbertinck (1619) ook Egbering en Egbertman genoemd, ligt dicht bij de Reuver; ik geloof niet dat de naam eene mythologische beteekenls heeft.
Een goed onderhouden weg loopt van den Denekampschen langs Olde Völcker, Uphues, Egberting en de Reuver naar de berberg het Zwaantje aan den Bentheimerweg.

Vervolgen wij verder den doodenweg, dan laten wij Casa Duvendaal, dat zeer romantisch op de helling van den berg ligt en de Cruiskuile an die Vossehaer, Sanderinck en Nijehuis noordelijk liggen. Ik heb ergens gelezen, doch kan niet terugvinden waar, dat de eerstgenoemde naam meer voorkomt en zou zoo genoemd worden naar kruisen die men daar in de plaats van laecksteenen zou gezet hebben in den Christelijken tijd. Hier wordt dit in het markeboek niet aangegeven, hoewel overal waar als limite geen gewone steen staat, zulks wordt vermeld. Deze plaats is van belang, omdat de drie marken de Lutte, Valthe en Beuninge hier aan elkander grenzen, bij de hoeve op 't Vosken op Vossehaer. De vos nu is om zijn roode haar aan Donar gewijd, even zoo staan de grenssteenen onder hem, zoodat het niet onwaarschijnlijk is dat het teeken van Donar, dat veel van een kruis had op den Laecksteen aldaar was aangebracht.
Nu komen wij aan de hoeven Caverick. In 1440 staat vermeld: grote Caueric en luttike Kauelic; in 1619: Parua Cauerick, M. Cauerick en Luicken ter Cauerick. Wat beteekent hier Parua? Is het Parva van parvus = klein, en is Luicken een persoonsnaam; trouwens er zijn
slechts twee hoeven van dien naam. Paro beteekent heilig bosch of boom, Parawa is heilige plaats en Parawari is priester. Men verhaalt dat op Laag Kawik, niet ver van het huis een groot heiden zoude begraven zijn, Margrand genaamd; hij verschijnt nog als weerwolf. Ik heb te vergeefs op de aangeduide plaats naar een graf gezocht. In Noorwegen heet de dwerg grande nabuur. Mij is medegedeeld dat daar nabij een heilige horst zoude zijn, doch niemand wist die aan te wijzen.
Bij hoog Caverick, dat slechts +200 passen van Duivendaal af ligt, zijn door de bewoners twee oude graven gevonden; zij schijnen een soort kelders te zijn geweest, gebouwd van veldkeien en gedekt met een sluitsteen, hunnepollen noemt men die hier. Verbrande beentjes en potjes moeten er in gelegen hebben, in één een steenen kogel; helaas is niets bewaard geworden. Het eene graf was bij het huis, het andere in eene koeweide. De hoeve de Keizer behoorde vroeger tot hoog Cauerik en ligt in de onmiddellijke nabijheid. De beteekenis van den plaatsnaam Caverick of Kawik, zooals het gewoonlijk wordt genoemd, kan ik niet vinden.
Oostwaarts van den weg Uphues-Reuver begint een diep ravijn, door een kleine beek uitgespoeld. Het strekt zich in oost-noordoostelijke richting uit over een lengte van ongeveer 1200 meters. Groote steenen liggen tegen de wanden, hoewel die in den laatsten tijd zeer in aantal verminderen en voor verschillende doeleinden gebruikt worden. Dit ravijn heet "de Groote Hel" in onderscheiding van de Hel bij het Rockhuis. Aan dit ravijn, waarbij een man spookt en waar nog voor twee jaren een jongen door een haas in het been werd gebeten, ligt Laag Caverick. - Zou de naam van caverne = hol kunnen komen?
In het Welsch is cawr een reus, zegt Grimm , s. 370. Volgens de sage liep de hel- of doodenweg, waarvan ik den loop reeds mededeelde, door dit ravijn en werden al de steenen, benoodigd voor den bouw van de kerk en den toren te Oldenzaal, daar langs uit Gildehaus vervoerd. Ik twijfel zeer aan de juistheid van dit verhaal, al verzekert de 87-jarige Oosterbroeck - Meijerman ook dat hij in zijn jeugd daardoor gevaren heeft. Ik vermoed dat de overeenkomst in de namen Helweg en, Hel tot deze voorstelling aanleiding heeft gegeven. De geheele vorm van het ravijn vooral daar waar de helbeek ontspringt, nabij de Reuver, maakt het verhaal onwaarschijnlijk.
Ook over de Hel bij het Rochues bestaat een overlevering. Deze zoude ontstaan zijn doordat men daar het leem zoude gegraven hebben om al de steenen te maken om Oldenzaal te herbouwen, na den brand van 1492. Dit verbaal is bepaald onjuist, daar uit de omgeving zal
blijken, dat dit ravijn reeds in de vroegste tijden moet bestaan hebben. Doch keeren wij naar Laag Caverick terug. Dicht bij die hoeve, ook ten noorden van de Groote Hel, ligt de hoeve Pollinck, Pollem, die niet in het markeboek wordt genoemd. De naam staat in verband met Balder. De Tüpisjacht wordt ook hier dikwijls gehoord en men weet hier te verhalen van een spook aan de Hel, waardoor een jongen zoude verschrikt zijn.
De Hooge Lutte ligt ten zuiden van de Groote Hel; Benoordende Lutte ten noorden daarvan.
Tusschen den doodenweg en den weg naar Denekamp verheft zich de ruim 57 meters hooge Haeckenberg met de hoeve van dien naam. Een heerlijk uitzicht heeft men hier; helaas is de koepel op het hoogste punt zoo vervallen, dat men zonder gevaar daar niet kan ingaan. De kop van den berg is een afzonderlijke heuvel, kegelvormig, met een grondvlak dat een halve hectare groot is, met hoog hout bezet; de hoeve ligt bij den voet.
Beckgrave en Klein- of Old Haeckenberch liggen in de vallei ten noordwesten. Bij de laatstgenoemde hoeve ontspringt de Linderbeek, die bij Harseveld in de Dinkel valt. Het Hutten- en Huyntveld liggen bij deze hoeven, die geen aanleiding tot opmerkingen geven.
Groot Haeckenberg wordt in 1440 Hakenberch en Kokenberch, in 1619 Haekenbergh genoemd; in 1651 staat vermeld Haeckenbergs becke kamp en Hs. Pierick.
Hier heeft volgens de legende een hoofdman der Hunnen op het hoogste punt van den berg gewoond. Hij bouwde van hier een gouden onderaardschen weg naar den Hunnenborg te Volthe, dat in + 900 Uuluth heette. Volgens Telman op Daelkote (in 1440 Fenne Dalcoten),
kwam eens op Haeckenberchs hoeve een Hunnekind, dat zwijgend bij den haard ging zitten. Het kon niet spreken en gaf geen antwoord op de vragen van de bewoners. Toen men echter op zijn aanwijzing eikeldopjes, die bij den haard stonden, met water gevuld had, antwoordde het op de vraag hoe oud het was: "ik ben zoo oud, dat ik vroeger het Weustbosch, tusschen hier en Gronau, heb zien omhakken om van de boomen molenassen te maken; sedert is het gegroeid, zoodat het weder voor hetzelfde doel gehakt wordt."
In den Noordbrabantschen Almanak, 1890, deelt de heer Jacq. Cuypers een gezegde mede van een kabouter, die bij zijn snoepen door een boer te Aalst werd verschalkt, door oude lappen in den sopketel te doen in plaats van behoorlijke spijzen. De kabouter zegt: "Ik ben nu al zoo oud geworden, dat er twee molenstanderds op eenen stam zijn gewassen, maar nog nooit heb ik zoo'n 'n taaie fikse fater gegeten." De hoofdman der kabouters op de Oorschotsche heide heette Kyria. Zou die bepaling van ouderdom van kabouters door de
Salische Franken uit Twenthe naar Noord-Brabant zijn medegenomen?
Bij de koepel vertoonen zich witte wijven of wichten zooals de bewoner Roesthuis zich uitdrukte; vooral bij omstuimig weer en omtrent de Kerstdagen jaagt Tüpis met veel geraas van af de koepel de vlakte in. Het gegil van vrouwen, het keffen van honden wordt gehoord en maken den Haeckenberg tot een echten Wodansberg. Ook het grijze veulen vertoont zich hier. Eenige honderden passen van de koepel ligt de Pollkamp , die met Balder in verband staat. Ook bij de Pollinck (Pollem), waar Balder werd vereerd, is een plaats aan Wodan gewijd in de nabijheid, n.l. het Hannof, zooals wij weldra zullen zien.
De naam Haeckenberch staat ontwijfelbaar met Wodan in verband, wiens bijnaam als wilde jager is Hakolberend, Hackelbärend, Hackelbernd, Hackelberg, Hackelblock. De Altmärker kennen eenen wilden jager Hakkeberg genaamd en laten hem 's nachts met paarden en honden van den Harz afdalen en in de Drömling jagen (Temme, s. 37). Ad. Kuhn, no. 17, noemt hem Hackenberg en Hackelberg; hij zou ook op Zondag gejaagd hebben en de boeren gedwongen om mede te doen. Eens kwam aan weerszijden van hem een ruiter rijden en elk verzocht hem met hem mede te gaan. De een zag er wild en woest uit, zijn paard spoot vuur uit neus en mond; de andere die links van hem was, zag er rustiger en zachter uit. Hackelberg wendde zich tot den woesten, die met hem voortrende en in wiens gezelschap hij nu tot den jongsten dag moet jagen (Grimm , Mijth., s. 769). Deze legende stemt geheel overeen met het door mij medegedeelde verhaal van Speul Derk, alias Graats Cock. Dat de jacht ook wel die van Tütü wordt genoemd, o.a. door Rosinck uit de Poppe komt van den nachtuil Tutosel (Tutorsel) die de jacht vooruit vliegt, blazend en toeterend op een hoorn. Namen in Nederland die op Haeckenberch gelijken, zijn: Hakenhorst 30 minuten zuidoost. van Zeddam; Hakkershoek 45 minuten zuidoost. van Raalte; Hakkeveld te Wijk in Noord-Brabant; Haaksbergen in Overijsel en Haakswolde, buurt van Ruinerwolde, in Drenthe. Met Haeckenschutten, een soort van vuurroers, kunnen deze namen niet in verband staan.

Oostwaarts van de Pollinck liggen Olde Hannof, de Kesseler en Valckenhaer. De bewoners wisten mij niets bijzonders mede te deelen, alleen de Tüpisjacht was hun bekend. Groot Hannof ligt iets zuidelijker, op eene hoogte, door de groote Hel van de Pollinck gescheiden en door een beek van het omringende land. In 1440 heet de hoeve Hohof, in 1464 Hoenhoff, in 1619 Haenhoff, in 1628 Hoonhoeve en nu Hannof en soms Hanshof. De boer van dien hof kon of wilde mij niets mededeelen, doch op andere hoeven wist men meer te vertellen. Reeds zeer lang geleden zoude er een gevecht plaats gehad hebben tusschen de Lutter- en de Lossersche boeren bij Springbiel, even over de duitsche grenzen aan den Bentheimerweg. De Lutterboer van 't Scharfoort werd daarbij doodgeslagen. Sedert dien tijd wordt het lijk des nachts gereden op een wagen met twee paarden en wordt in de schop van 't Hannof ondergebracht. Elken nacht zou dáár nog water geput worden om de paarden te drenken. Het grijze veulen loopt soms om en op den hof.
De naam Ho-Hoonhoeve duidt op een oude heilige offerplaats; is haenhof van hoonhof afgeleid? doch Hannof zooals het tegenwoordig wordt genoemd, heeft meer van hoen dan van hoon. Hans, Hann, zijn bijnamen van Wodan. Als uitvinder en beschikker in het spel heet hij spielhausel en als éénoogige bondi Hrani of Hann. De wetsteen van Wodan waarmede hij de sikkels sleep, heet in het ags. hein en in het engl. han. De verslagen helden gingen naar Wodan.
Ergens de roode haan insteken, gelijk in brand steken, is een uitdrukking die op Donar betrekking heeft, tot dien God keerden niet de zielen van verslagen edelen en helden terug, maar volgens Grimm, XV, wel die van het volk; ik vind dit nergens anders vermeld. Zoo lang de naam van de hoeve niet vaststaat, kan er eenige twijfel bestaan aan welken God deze plaats was gewijd.
In Enscheder Marcke echter ligt een Honhoff en een Hannenberch, zoodat door vergelijking de waarschijnlijkheid blijkt dat Ho- of Hoonhoeve de ware naam is. Het grijze veulen dat zich hier beweegt en de tegenwoordige naam Hannof of - hof, wijzen er op dat ook hier de plaats aan Wodan was gewijd. Men verhaalt dat de bewoners van 't Hannof het langst, in de Lutte, heidenen zijn gebleven. Wij mogen Olde Hannof niet over het hoofd zien waarbij de Kesseler ligt en een onaanzienlijk huis is.
Kesseler wordt niet in het markeboek vermeld; het beteekent "Keteldrager". Hexenkesselträger is volgens de Lex Salica, cap. 67, een onteerend scheldwoord. Zeker was het een soort priester die den ketel voor de offerfeesten bewaarde en die dicht bij de offerplaats woonde. Ik mag niet onvermeld laten dat Thorkettill, de ketel van Thor of Donar beteekent. Hij zoude deze op zijn hoofd hebben gedragen.
Van Valkenhaer is ook de mythologische beteekenis te ontdekken. Dat die vogel voor de jacht wordt gebruikt is bekend, als zoodanig behoort hij bij Wodan; den langsten nacht noemt men in Saksen valkennacht, dus staan valken in verband met het Julfeest. Vele plaatsnamen staan met valken in verbinding. Wodan nam soms de gedaante van dien vogel aan.

Een slecht onderhouden weg voert van 't Hannof naar den Bentheimerweg, langs Op de Sorck en Daelkote, ook ferme Daelkote of Dalcoten genoemd (1440, 1619). De beteekenis van Sorck is mij onbekend; is het Sorckote of Sorrekote, dàn heeft hij overeenkomst met Sormorre in de gemeente Oldedoorn, doch ook daarvan ken ik de afleiding niet. Zoude het met sors, sorcerer, toovernaar in verband kunnen staan?
Daelkote komt van Dal, waarhij het Welhuis, hooger gelegen, ligt. Telman op Daelkote heeft bij Welhuis op den Thebult een waterput geboord en eene waterleiding gemaakt naar zijn huis. Op dezen Thebult stond vroeger een huis dat in 1440 tijgkote en in 1619 Thijkotte en Roeuer alias Thebelt wordt genoemd. Hier hebben wij dus weder zulk een gerechtsplaats van boeren als aan de Thij. Tusschen Daelkote en den Scharfuoert of Scharsvoerde in 1440; in 1619 Schuffoort, nu Schafvoort genoemd, spoken twee groote dieren en bij de eerste hoeve vertoont zich het grijze veulen. De oudste schrijfwijze Scharvoerde schijnt de juiste te zijn, want in het hofrecht van de marke Brackel, bij Dortmund komt het woord voor als Scharvoider, Scharfuder en Schaarfuhr. Het staat in verband met het woord "schaer", dat aandeel in de marke beteekent.
Scharvoider te Brackel wil zeggen "een bijzonder markaandeel", dat den Holtrichter of hem was toebedeeld die de scharbeil moest gebruiken om de boomen die geveld mochten worden te teekenen, te scharren of scheren. In der Lutte marke heette dit "bicken"; in Uddel en Uddeler heegde werd het "heegen" genoemd (Uddel én Uddeler heegde, door Dr. W. Pleyte, A. van den Bogert en H. Bouwheer).
In het markeregt der Lutte komt op blz. 11 de uitdrukking voor: "ende heghen een gerichte" en op blz. 31 "In eenen gehegeden Holtgerichte"; heghen heeft dus daar eene andere beteekenis dan te Uddel. Wel wordt op blz. 9 gesproken van "erfexen en heghermanne", maar de laatste naam heeft daar, volgens mijne opvatting, de beteekenis van boschwachters. Erfexen, zegt Prof. Dr. Eduard Roese in Frankfort a. M., wordt door Grimm terecht in verband gebracht met bijl, axt, akse, zij waren de oudsten en meest berechtigden onder de markgenooten. De bijl daarbij bedoeld is niet de latere scharbeil, die eerst ingevoerd werd toen men bemerkte, dat er in de mark orde op het vellen van hout moest gesteld worden om ontwouding te voorkomen, doch de bijl, toen de oudste bewoners, nog vrij hout konden hakken en zich dat recht voorbehielden tegenover de latere intrekkers. De scharbeil werd bewaard in een kist, met verschillende sluitingen, die bij den holtrichter of een ander aanzienlijk man in de mark berustte, later in de kerk, zooals te Brackel.
Eigennamen in verband met scharbeil zijn: Scharman, Scharmeister, Scherherr, Scherre, Scerre en Scharvoird. Ook de familienaam Schrassert, daar in Uddel Schrasserts enk, Scharijsers enk wordt genoemd. Het Engelsche "share" beteekent "aandeel" en bescheren,
in Limburg, iemand wat schenken. Op den Lutter Scharvoerde heeft dus waarschijnlijk een man gewoond, die belast was met het teekenen der boomen die geveld mochten worden. Zouden er nog Scharbeilen bestaan van de Twentsche marken?
Tusschen Welhuis en de Reuver loopt een groote kardoeshond zuidelijk van de Groote Hel, niemand durft daar 's avonds alleen langs te loopen. Bij Welhuis ligt een kruiskamp. Wal- of Waelstede (1440, 1619) lag bij bet afgebrande Schafvoort en is afgebroken. Wal beteekent doode, waarvan afgeleid zijn Valhalla, Valkyriën; hier zou dus eene begraafplaats kunnen zijn, die aan Wodan was gewijd.

Begeven wij ons nu bij Kesseler en Valckenhaer oostwaarts naar den Stuethof of Stutthof (1440, 1619). Deze hof staat in verband met paardenteelt. De Kriptenbrug wordt ook Stuethofbrug genoemd. Waarschijnlijk werden hier gewijde paarden gefokt, die dienden om te offeren, te voorspellen en den godenwagen te trekken bij groote feesten en bij den Laeckganck. Hunne manen werden gevlochten met gouden of zilveren banden. Witte paarden waren het meest in aanzien, het waren koningspaarden. Wodan en ook St. Nicolaas rijden op schimmels; in Oldenzaal was een herberg "het witte paard" genaamd.
Bij bet offeren werden de hoofden den goden gewijd en in Scandinaviën op staken gezet, die neidstange heetten. Ook met wolfskoppen werd zulks gedaan en dan met open mond naar 's vijands zijde gekeerd. Het hinneken bracht heil en overwinning. Het is bekend dat bij bet heiligdom van Freyer te Drontheim godenpaarden weidden. Vermoedelijk was dit ook het geval bij de heiligdommen van andere goden.
Of het paard bij de Franken even groote vereering genoot als bij de Saksen, is niet zeker. Bij de Franken toch werd de koningswagen door stieren getrokken (R. A., s. 262). Bij den Stuethof zijn goede paardenweiden; de Tüpisjacht wordt er gehoord. In + 900 wordt in Twenthe, Stutesloe genoemd, met een bewoner Uuigheri; in 1280 Studereslo, dat wel de Stuethof zal wezen.
Oostelijk van dezen hof ligt de Kriptenbrug over de Dinkel, met een galgenbult in de nabijheid. De naam van de brug doet denken aan het Schotsche Croft, Gudemans Croft; zie verder bij de aanteekening E.
Noordelijk van den doodenweg liggen de hoeven Dinkel Harbert, vroeger Harberteshues en Harbershuisz genoemd (1440, 1619). Hier vliegt het grijze veulen uit de boomen. Oelthues, Olthuisz (1440, 1619) heet nu Oldhuis. Hoefstede, Hoffstede (1440, 1619) heet nu Hofstede en ligt bij Groot Beverborg. Ook een Olde Hofstede. Harenter, Harrenter (1440, 1619) heet nu Hanterman. Haren, ohd. is schreeuwend klager bij het gerecht; enterisch beteekent ongewoon, zeldzaam; ent is de agls. uitdrukking voor reus (Grimm , 434). Deze hoeve ligt bij den 24en en 25en laecksteen. Bestmanninck, Besmanninck (1440, 1619), nu Besman, Besmen en Olde Besmen genoemd, niet ver van den Beverborg gelegen, heeft den naam waarschijnlijk ontleend aan een edel, goed man. Best-man is in het Engelsch geleider van de bruid naar de kerk doch dat zal hier wel niet betrekking op hebben. In Lemele is een hoeve, Huijsmanninck.
De Kramer ligt bij de Dinkel, ten zuiden van de Kriptenbrug. Ik kan niets bijzonders van die hoeve mededeelen; mogelijk is zij de verdwenen Dauerborch en de naam van jongen datum. Dijlgeshuisz. (1619), Diligeshues (1440) heet nu en ook reeds in 1648, Veltman. Dillenstein is een steen, die de hel afsloot. (Grimm , 1844, s. 766). Dille is een welriekende plant, anethum graveolens (anijs); ook heet zoo een babbelaarster, een ontuchtige vrouw, het klappen, praten. Deijlen is verdeelen, dijllijnge deeling. Oesterbroec (1440, 1619), nu Oisterbroeck, schijnt het stamhuis te zijn van de andere hoeven van dien naam in de Lutte. Dat de naam in verband zoude staan met eene godin Ostara geloof ik niet.
Bodinczel, Bodincksel, dat bij Oldenhues en Harenter moet hebben gelegen, heb ik niet kunnen vinden. De naam schijnt gerechtszaal te beduiden. Bodo beteekent ook huisman en Boede is gelijk kot.
Smeding was ook niet te vinden, het moet in dezelfde buurt hebben gelegen en staat in verband met smeden, smederij. De familienaam was, in 1760, Smenk. In de Driener Marke is ook eene hoeve Smedinc, nu Smeink.
Dauerborch, Danenborch (1440); Darenborgh is niet meer te vinden; mogelijk is het de kleine hoeve Dannengraaf, die bij den Haeckenberg moet liggen of de Kramer. Boechaer, Bochaer (1440, 1619), lag ten noordoosten van den Haeckenberg. De naam kan met den wagen van Donar in verband staan, die door bokken getrokken werd; ook met den bok waarop wel eens een geestverschijning door de velden rijdt (Grimm), Bocland is leenland, overgedragen land, van iemand in leen hebben, dus geen eigen. Ook op beukeboomen zou de naam betrekking kunnen hebben, hoewel de spelling van 1619 dit niet waarschijnlijk maakt. Op blz. 73 wordt vermeld Steuenings Borckhaer, dat mogelijk hetzelfde is en in de nabijheid moet liggen. Deze naam staat met berkeboom in verband.
Molman heb ik niet in deze streek, waar het moest liggen, kunnen vinden; de naam staat met den dood in verband, vandaar het woord mollen voor dood maken.

Voordat wij oostwaarts van de Dinkel gaan om het gedeelte van de Rhaeder Huije dat daar ligt, te bezoeken, moet ik u op een klein deel van die Huije wijzen, dat westwaarts van den weg naar Denekamp ligt, tusschen mijlpaal 61 en 62.
Westwaarts van Pierik ligt daar een laecksteen, het roode steenke genaamd (zie bij de vermelde grensscheiding). Bij dezen steen vertoont zich het grijze veulen dikwijls; ook een haas, die bij een daar nabij wonend oud vrouwtje steeds in het venster zat, en tusschen deze plaats en de kerk te Rossum loopen spoken die met kettingen rammelen.
Ongeveer een zeven honderd meters noordelijk van de Kriptenbrug ligt luttike Beuerberch of lutke Beuersborch (1440, 1619), nu klein Beverborg genaamd, naar bevers die vroeger op de Dinkel waren. Evenveel meters noordelijk daarvan ligt die Beuerberch of M. Beuersborch (1440, 1619), nu groot Beverborg; beiden op den rechteroever; de eerste bij een loopbrug, de tweede bij een brug voor voertuigen. Op blz. 7 van het Marckeregt staat vermeld "die olde joufer van beruorde" en "henrikes kijnder van beruorde"; mogelijk is beruorde een andere naam voor Beverborg of wel heeft die betrekking op de hoeve de Bever in Molter huije. Noordelijk van Klein Beverborg ligt de kleine hoeve, Bisschop, die daarbij behoort, terwijl Hagboer en Nilant tot Groot Beverborg behooren.
Wij wandelen nu in noordoostelijke richting door heide en moeras en komen na ongeveer een half uur bij de Punthuizen, aan de Puntbeek, bestaande uit: de Punte, de Boer Punte, Bothinnik, Pandert, enz. (Deze laatste naam staat met gerecht in verband). Hierbij ligt eene hoogte de Griepkesbult genaamd, waar een man zonder hoofd spookt. Stuethof heeft dit spook persoonlijk gezien. Mogelijk staat de naam in verband met een waarzeggenden en voorspellenden geest, Grîpir genaamd.
Wij vervolgen onzen weg in dezelfde richting door het Muiten-, Meuten- of Muedenven naar de hoeve Haar Jan. Hierbij zou de 36 Limite die Sonnen telge gestaan hebben. Jan op de Haar of Haar Jan heeft dáár, bij een rijksgrenspaal, in zijn jeugd nog een ouden eikestam gekend die op eene hoogte stond. De hoogte verdwijnt door het zandgraven op deze plaats en de eik is geheel verdwenen. De Laeck loopt hier nu anders dan is opgegeven in Marckeregt. Haar Jan vertelde dat zijn moeder, die bij de Puntboeren woonde, een half uur gaans van de Sonnen telg verwijderd, voor de Paaschvuren altijd takken van den eik haalde, die voor die vuren in het bijzonder moesten gebruikt worden. Zeer zeker ligt hierin een aanwijzing van het verband dat er tusschen den Zonnendienst en het Paaschfeest bestaat. Opmerkelijk is het dat Haar Jan steeds Sonnentelg wordt genoemd in de Weffelstad of Wevelstad, een groep huizen in de buurtschap de Poppe, in Hengeler huije. In 1565 komt een Johan die Sonne voor. Wij merken op dat de Sonnen telg op de meest oostelijk gelegen plaats van de marcke ligt en dat dit ook het geval is met het Glanerveld en de Glanerbeek oostwaarts van Enschede. Glanur staat met de Zon en met "glans" in verband. In de Lutte is het volgend rijmpje bekend, dat betrekking heeft op de Sonnen telg:

Kunne, hoe hooge zit de Sunne?
Doe de Kunne opkeek,
Scheen de Sunne over de eek;
Doe de Kunne opzag,
Was 't hooge middag.

De Kunne is een familienaam en de hoeve die zoo heet ligt ongeveer 1500 meters zuidelijk van de Kriptenbrug en ruim 5000 meters zuidwestelijk van de Sunnen telg, op den rechter Dinkeloever. Opmerkelijk is het dat bij dit gedeelte van de Dinkel en in de Molter huije het grijze veulen Kunne-Klaas wordt genoemd, een naam waarvan ik de beteekenis niet kan vinden. De hoeve de Kunne behoort tot de Molter huije, doch zal bij de Hengeler Huije besproken worden. De hoeve Middelkamp met de Hel, die bij het Rochues liggen en nog tot de Raeder Huije behooren, zullen wij bij den Tancenberg bespreken.
Onze wandeling zullen wij hierbij eindigen, om hetzij aan den Bentheimerweg in het Zwaantje, bij Smoors, de Olde Scheper of bij Toon zin Leen wat uit te rusten of wel naar Oldenzaal terug te keeren. Het plan bestaat om een logement te bouwen op de plaats waar nu de herberg het Zwaantje staat, de vele wandelaars in deze landstreek zullen dan niet meer genoodzaakt zijn naar Oldenzaal terug te keeren om nachtlogies te vinden.
Als wij nagaan van welke goden wij in de Roerder- of Rhaeder huije sporen van vereering hebben gevonden, dan komen wij tot het volgende besluit:
De Zon werd in het bijzonder vereerd bij de Sonnen Telg, maar zeer zeker ook op den Paaschenberg en bij de Reuver; als wij ons niet vergissen in de afleiding van den naam van de huije en hoeve, dan moet er omtrent deze vereering in den loop der eeuwen veel vergeten en verdwenen zijn of door ons niet opgemerkt. Omtrent de vereering van de Maan hebben wij hier niets ontdekt.
Door de geheele huije wordt de Tüpisjacht gehoord en op vele plaatsen het grijze veulen gezien. De Haeckenberg en 't Hannof waren plaatsen aan Wodan gewijd; de hoeven Harbert zijn naar hem genoemd, terwijl de ligging van een dier hoeven bij den Paaschenberg aangeeft, dat Wodan ook op dien berg vereering vond.
Sporen van Donar vonden wij op den Haanakker, bij Bochaar en Vossehaar. Van Balder bij Pollem aan de Groote hel, en op den Pollkamp, bij Haeckenberg.
De beteekenis die de Groote hel en de hoeven Caverick in de godenvereering hadden, kunnen wij niet meer oplossen; wel geeft de haas die bij de hel verschijnt een spoor van Holda vereering, doch niet voldoende om te besluiten dat de godin bepaald met deze plaats in verband staat. In 1440 waren de erfexen van de hoeven Rouerinc, Stuethof en Hohof geschwaeren.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen