maandag 22 december 2014

Oldenzaal tijdens de Salische Franken, vijf wandelingen rond Oldenzaal (1901): vijfde wandeling

VIJFDE WANDELING

Zij, die door de vier vorige wandelingen niet te vermoeid zijn en verder belang stellen in de merkwaardige landstreek die wij bezoeken, volgen mij op eenen vijfden tocht.
Wij verlaten de stad weder aan de oostzijde langs den Bentheimer weg; evenals bij onze tweede wandeling, gaan wij langs de buitensocieteit, doch bij het Rickert volgen wij niet den dooden- maar den bovenweg. Spoedig zijn wij nabij een der hoogste punten van Tancenberg, 52 meters boven A. P., waar iets noordelijk van die punt een koepel is gebouwd, vanwaar men een overheerlijk uitzicht heeft in noord- en westelijke richting.
Een steen boven de deur vermeldt dat eenmaal de tempel van Tanfanae op dezen berg heeft gestaan (Tacit. Ann. I, 55). Voor het bordes staat op een steen een gedicht van den heer Weelink, vroeger rector van het gymnasium te Oldenzaal, dat betrekking heeft op den voorhistorischen toestand van de landstreek, toen daar alles nog door de zee bedekt was. Of men het recht heeft gehad hier de woorden van Tacitus te plaatsen als de plaats waar de tempel heeft gestaan, zullen wij nader onderzoeken. Vroeger heb ik reeds vermeld, dat als de grot van de godin, het uitgespoelde gat bij het Rickert wordt aangewezen. Deze plaats ligt westelijk van de koepel; eenige honderden passen oostelijk daarvan ligt Tancehoeve met de Tanckgaard; de familienaam is Tanck, Tenck en Tancke; in de kerkrekening van Goor komt in 1578 voor: "den knecht fan Tankijnck". In Oldenzaal woonde in ca. 1700 een Jan Tenkink. Van de beteekenis van den plaatsnaam zal ik later uitlegging geven.
Noordwestelijk van de koepel ligt de Siemert met de Sunnegaard. Twee honderd passen oostelijk van de Tancke ligt de hoeve Brand; in 1717 staat Swenne op den Brant en in 1724 Henderinc Ter Brant vermeld.
Op een klein bleekveld, dat vroeger heide was, bij een put om het vee te drenken en die nooit droog is; zoude de groote Oldenzaalsche steen hebben gelegen, als offersteen van de heidensche heilige plaats, van templum Tanfanae. De hofstede staat hooger op de helling dan de bedoelde plaats en in een weide of fenne, zooals zulke natte weiden worden genoemd, ontspringt één der bronnen van een beek, de helbeek genaamd. Brand staat in verband met Balder, de god van het licht en het vuur, tevens rechtspreker. In den Overijselschen Almanak 1848, heeft J. Weeling eene verhandeling geleverd over de verplaatsing van dien steen naar de markt te Oldenzaal. Hij vermeldt dat er ook een legende is, dat de steen oorspronkelijk aan de Fonteinsteeg of de Wittewijvensteeg zoude gelegen hebben; de meest geloofwaardige overleveringen spreken echter van de hofstede Brand en dat de overbrenging omstreeks 1710-1712 moet plaats gehad hebben. Weeling zegt: "De steen is een massief granietblok van een onregelmatige, doch meestal ronde gedaante, behalve dat de naar boven gekeerde zijde een oneffen vlak voorstelt, hetwelk met eenige groeven of geulen ingedrukt is. De lengte dezer bijna ronde oppervlakte bedraagt 8 voet en 3 d. en de breedte 6 voet. De hoogte van den steen tot op den betreden grond, verschilt niet aanmerkelijk van die eener gewone huistafel (1,25 Meter). Men kent geenerhande gebruik van dezen steen, en de bestemming of het doel, waarmede hij hier is ter nedergelegd, is alzoo ook ten een male onbekend." Ook zegt W. dat onze steen een dusgenoemde heksensteen was, volgens het geloof der landbewoners, bij en rondom welken men deze wonderwezens uit het bijgeloof der middeleeuwen hun fantastisch spel zag spelen. "Nu eens was het hem, die na zonsondergang denzelven moest voorbijgaan, alsof een zware last hem drukte, zijne ademhaling belemmerde, zijne schreden terug hield en niet eerder van hem week, vóórdat hij tot op zekeren afstand van den steen verwijderd was; dan eens zag men een lichtglans rondom denzelven, die zich in het vormen van tallooze kronkelingen en spelingen scheen te vermaken; dan weder zag men vrouwelijke, in het wit gekleede gedaanten, tot denzelven naderen en zich weder verwijderen. Doch dit alles kwam in geen vergelijking, bij hetgeen éénmaal des jaars gebeurde, te weten in den nacht van St. Walburg, den eersten der maand: Mei. Alsdan scheen er door de bovengenoemde wezens een hoogtijd gevierd te worden. Op het middernachtelijk uur verzamelden zij zich dan in grooten getale rondom den steen, en hielden er, evenals aan eene tafel, hunnen maaltijd en dronken hun bier uit de groeven, waarvan wij hierboven gewaagden; dan volgde er een wilde dans, waarna zij zich, op bezemstokken rijdende, door het luchtruim weder naar elders verwijderden."
Wij merken dus op dat aan den Grooten Steen van Oldenzaal een zeker bijgeloof bestond, ook in verband met witte wijven en heksen. Dat zulke steenen voor heidensche altaren gebruikt werden is op vele plaatsen bevestigd. Opmerkelijk is het dat bij Bochum een groote granietsteen ligt "am Branstein" geheeten. Bij Rhoon in Zuid-Holland is een huis Brandstein. In Noord-Brabant bij Zeeland, bij Ruephen, bij Udenhout, bij Haps en bij Mierlo zijn buurten of huizen "Brand" genaamd. Bij Diepenveen een huis Brandt of Brands, bij Stevensweerd een buurt Brand; bij Vorden Groot- en Klein Brandenberg; Brandsing bij Den Dungen, Brandswaard te Ravenswaaij en op meer andere plaatsen komen namen voor met Brand in verband. Een plaatselijk onderzoek zou kunnen uitmaken of die namen óók met den God Balder in betrekking staan. Opmerkelijk is ook de naam van het dorp Brandlegt, bij Nordhorn. De oude naam was Brandtelget; een eikeboom aan Brand of Balder gewijd. In de heide aldaar werden in 1610 eene menigte romeinsche munten gevonden waarvan de jongste, evenals bij de vondst te Ringen bij Emmelenkamp, van keizer Honorius was (Visch, blz. 115).
J. H. Halbertstna, in Overijs. Alm. 1841, noemt den Oldenzaalschen steen een prachtig exemplaar van een offersteen. In de bovenste oppervlakte, die vrij effen is, zegt hij, is nog eene langwerpige holligheid, die het bloed opving, aanwezlg. Ik heb reeds onder Oldenzaal opgemerkt, dat de steen nu met de bovenvlakte benedenwaarts ligt. Wel mogelijk heeft de steen tot een hunnebed behoord, dat de Germanen als eene heilige plaats gebruikten.
Op het eiland Sylt leven de helden en heldinnen van het voorgeslacht der noord-Friezen bij de heuvels, waaronder steengraven verborgen zijn. De legende ziet er woningen in en graven van reuzen en helden; ook heeten sommige heuvels offer- of gerichtsplaatsen, waarvoor zij ook gebezigd zijn. De Thingheuvel diende en voor grafplaats en voor gerechtsplaats, zoo ook diende Denghoog, waaronder een woning ontdekt is, tot gerechtsplaats van Westerland en Sylt.
De beteekenis van de ligplaats van den steen op Tancenberg is alléén te waardeeren door hare omgeving, die wij nu nader zullen leeren kennen.

De bovenweg waaraan de koepel en de hoeve Tance liggen, buigt vóór de hoeve Brand in zuidelijke richting om naar den Bentheimer kunstweg. Volgen wij dien weg voorloopig niet, doch gaan wij rechtuit langs een voetpad, in oostelijke richting door het bosch, dan staan wij na enkele honderden passen aan den rand van een diep ravijn. Door dit ravijn, "de hel", of tot onderscheiding van "de groote hel" bij Polling, ook "kleine hel" genaamd, stroomt de helbeek. Het is een van de bekoorlijkste plekjes bij Oldenzaal; de wanden zijn met hooge boomen en onderhout bezet en een voetpad op een der hellingen geeft gelegenheid om van al het schoone van deze eenzame plaats te genieten. De beek vormt een kleine waterkom, zoodra zij meer in de ruimte komt; die kom heet het "paardengat". Verder stroomt zij door drassig weiland, fenne, en midden door het "Tancenkampje". Dit kampje is het Sweergatt", waar de 4e Laecksteen staat van het Rockhues af gerekend en is ongeveer 200 passen verwijderd van de plaats waar de Groote steen zou gelegen hebben, die aan Balder was gewijd, den grooten rechtspreker.
Wij vinden dus hier bij de offerplaats een gerechtsplaats. De "gheswoeren" (blz, 1, Markr. Lutte) kwamen daar 9061 bijeen, zooals in de Balderkuil in Drenthe op Sworen Maandag, en is het waarschijnlijk dat ook hier dit gerecht, waarvan de naam onbekend is, met Balder in verbandstaat, daar Brand waar de steen lag Balder beteekent, zooals wij reeds opmerkten. In Friesland heet zulk een gerechtsplaats lág, ags. loh; ohd. heimgard. Het kampje behoort tot de hoeve Tancke, doch laten wij den loop van de Helbeek verder nagaan. Zij loopt, gevoed door meer kleine beken naar Rossum, door het roode veld en wordt daar algemeen de roode beek genoemd, doch het boek van het Lutter markeregt noemt haar de Laecker becke op blz. 73 en op blz. 57 die Raeder- en Rhaeder becke.
Keeren wij terug naar het Sweer gatt. Dezen naam droeg ook vroeger de hof Middelkamp die hier nabij ligt, oostelijk van de Helbeek en die waarschijnlijk bij slecht weer diende om in te vergaderen, hoewel Tancke of Tancgaard en Brand in Berghuizen, Middelkamp in de Rooder huije van de Lutte en Tancenkampje in beide marken ligt door de Helbeek in twee deelen verdeeld. In het begin van de XIXe eeuw woonde een welgestelde boer op dien hof; hij heette ook Sweer gatt, welke naam hem onaangenaam was. Hij verzocht eenige van zijn buren en vrienden bij zich tehuis en onthaalde hen overvloedig op bier, hen tevens verzoekende hem bij een anderen en niet meer bij den gehaten naam te noemen. Zij voldeden mogelijk aan zijn verzoek, doch de boeren die niets van hem genoten hadden riepen hem soms achterna: "O Sweer gatt, O Sweer gatt, ik heb neet van deen beer gehad." Toen hij later niets meer bezat, moest elk der Berghuizer boeren hem om beurten in den kost nemen; of dit ook in de Lutte werd gedaan heb ik niet kunnen ontdekken. Nog wordt een man die van moeders zijde van dien boer afstamt, in Oldenzaal Sweer gatt genoemd, als scheldnaam.

Voor den hof Middelkamp liggen twee groote keisteenen, een derde steen is waarschijnlijk een grenssteen tusschen de Huijen, is in lateren tijd op die twee geplaatst.
Tusschen Middelkamp en de Hel ligt iets naar het zuiden "de helkamp", door de Oldenzalers ook wel "hemel" genoemd. De laatste naam komt dikwijls bij hel voor. Een van de bergen te Markelo heet "de Hemmel", hetgeen men vermeent dat van "Hemal" of "Heymaell", dat lijfstraffelijk gericht van hoogen Rechtsdwang beteekent, afkomt; bij Stavoren is een dorp "Hemelum"; "de hemelsche berg" bij Arnhem, "de hemel" een zaalweer in de maalschap Meerveld; noordwestelijk van Tubbergen ligt "de Hemelink"; bij Borne “Hemmelhorst" en "Hemelhorst"; "Hemel" bij Zwolle; "Hemelhoek" bij Diepenveen en bij Denekamp; er zijn te veel plaatsnamen met, hemel in verbinding om allen op te noemen. Ook de hoogste punt van Tancenberg nabij het heilig boschje wordt hemel genoemd. De beteekenis echter van dit woord in den heidenschen tijd ontsnapt mij. Hier is het een hoog gelegen stuk land naast de diepe hel gelegen en hoewel vele geleerden verhandelingen geven om aan te toonen dat men in die oude tijden aan een leven na dit leven geloofde en op een gelukzalig verblijf Walhalla voor de helden wijzen, een bepaalde beteekenis of afleiding van hemel kan ik bij geen hunner vinden.
Een plaats, hemel genaamd, waar ook brave burgermenschen, die den stroodood waren gestorven, een gelukzalig bestaan vonden, vind ik nergens vermeld. De afleiding van Heimal, Heymall, blijft mogelijk; ook mogelijk van Heimchen dat elven en dwergen beteekent en die onafscheidelijk van frau Hölle zijn.
Over de beteekenis van helbeek heb ik bij Holda voldoende verklaring gegeven en dat deze godin hier werd vereerd, zal ons weldra blijken.

Toen wij bij de hoeve Brand het voetpad door het bosch volgden, boog daar de bovenweg zuidelijk af naar den Bentheimerweg waar hij aan de westzijde van de hoeve ‘het Rockhues’, bij aansluit. Tot deze hoeve behooren ook nog perceelen land, zuidelijk van den kunstweg gelegen en noordelijk van het huis ontspringt een der bronnen van de Helbeek. In 1440 wordt deze hoeve onder de Kothen van elfter lescap genoemd "die achterstapel", in 1619 "Alter Staepel" alias Roeckhuisz, in 1651 Rochuiss (blz. 72, 74). De tegenwoordige benaming Rookhuis is dus niet goed en moet Rochuis zijn. Rokken is vlas winden en niet te verwonderen is het, dat van het spinnen van de godin Holda of frau Holle nog enkele namen zijn overgebleven. Simrock zegt: "Tot grenssteenen dienden nml. vaak steenen, die men om den vorm, dien men er in meende te zien "Spilsteine", "Kunkelsteine" noemde. Elders "Rockensteine", "Rockingstones”, "Quenouilles à la bonne fée, la bonne dame. Dat men bij deze steenen nu niet alleen aan une bonne fée, maar bepaald aan onze godin dacht, blijkt uit een grenssteen bij Spich, die de Hollenstein heet en waar een bloemoffer gebracht wordt."
Nu ken ik in deze buurt niet één steen die Rocken- of Rockstein heet, maar wij vinden hier meer: Hier is het huis dat naar Holda als spinster, Rochues heet. Ongeveer 300 passen westelijk ligt aan den kunstweg de Wevelkate, ook een enkele maal Wäfel- of Weffelkate
genoemd. Bij de Weffelstad heb ik den naam besproken, die waarschijnlijk met de vereering van de Maan in verband staat. De hoogste punt van Tancenberg ligt tegenover deze hoeve en wordt óók Hemel genoemd. Dicht bij ligt Holst dat mogelijk wel Holstede beteekent; in Roder lescap ligt een Walstede en Grimm vermeldt een Wodestede, gelijk Wodanstede.
Holst wordt nergens Hulst genoemd, toch is de afleiding van dien boom naam mogelijk. Holstman is de familienaam. Westelijk van Holst lag Olde Wevelkate, doch is afgebroken. De hoeven Wevelkate en Holst liggen in de marck Berghuizen. Bij Holst staat een groote oude Taxis baccata en vroeger stond op een nabijgelegen hoogte een kruisbeeld van Christus. Die hoeve wordt bewoond door de familie Kattenpoel, afkomstig uit Rossum, waar een hoeve van dien naam aan den Ootmarsumschen dijk ligt. Ook bij Posterholt in Limburg is een buurtschap Holst; beide namen zijn daar uit den heidentijd afkomstig; de eene van Posterli, een spook, in- de gedaante van eene oude vrouw of een geit (Grimm. s. 779), dat met Holda in verband staat, van wie de tweede naam komt.
Zuidelijk en nabij den kunstweg tegenover het Rochues, ziet men een perceel heide met 19 groote dennen bezet; onmiddellijk zuidelijk daarvan, nog tot het Rochues behoorende, ligt eene lage weide waar een der bronnen van "de Stakenbeek" ontspringt. Deze weide heet "de Tüpisgaard". Ontwijfelbaar is zij eene weide voor Wodans paard bestemd. Vroeger stond hierbij een huis, het Boschhuis genaamd, met de boschgaarden en iets meer naar het zuidwesten is eene diepte waar voor eeuwen een pottenbakkerij is geweest, waar vooral "kloesen" werden gemaakt, een soort stooven om de voeten op te warmen. De andere bron van de Stakenbeek ontspringt westelijk van en bij het Rochues, doch op Berghuizer gebied, in een boschje, de Lutter Laa genoemd, naar de Laeck of grens die daar loopt; het
wordt ook wel Siemerts boschje genoemd.
Tusschen de Wevelkate en het Rochues ligt nu de hoeve Schutte, vroeger Olde-Klieverik, maar lag toen een vierhonderd meters zuidelijker. Zuidelijk van Tüpisgaard, tegen het Crusselsche bosch aan, ligt Brandsmaat, die betrekking kan hebben op de hoeve Brand, waar Balder werd vereerd, of op Balder zelf. Zuidelijk daarvan heet het land, bij de tegenwoordige hoeve Scholtenhuis, en vroeger heidegrond was "de Hötmèr" of “Höthèr", welke naam een van die van Wodan is als Hötthr, Hother wat "den hoedigen of den gehoeden" beteekent , naar zijn punthoed.
Daar de bronnen van de Stakenbeek, welke beek wij reeds op onze eerste wandeling ontmoetten bij den Stakenboer en Stakenkamp, bij het Rochues ontspringen, is het niet twijfelachtig dat die bronnen tot het heiligdom aldaar behoord hebben. Op staken werden godenbeelden, bevestigd, ook de hoofden van de offerdieren. Namen die met den beeknaam overeenkomen, heb ik reeds vroeger opgegeven.

Van de Lutter Laa of Siemerts boschje loopt een weg oostwest over den Tancenberg en van de Wevelkate een weg zuidnoord; zij snijden elkander bijna rechthoekig nabij de hoogste punt van den berg, den Hemel. Aan de westzijde van den noordertak van deze kruiswegen staan eenige eikestruiken die “het heilig buske" worden genoemd en het perceel land daarbij "het heilig stuk". Men zegt dat de struiken herhaaldelijk verwijderd zijn, doch altijd weer aangroeien. Zeker is het, dat deze nu hun ondergang nabij zijn, en ik betwijfel zeer of zij ditmaal dan weer zullen verschijnen. Het is jammer dat zulke zaken. die niemand hinderen en waaraan een legende is verbonden, door de eigenaars niet beter in waarde worden gehouden.
In "Rekeninge van de Hoog Adelijke Vicarien. Pro Anno 1766", staan op Tancenberg vermeld: Fonteinenkamp, Thijsnijder, Weffelkate, Zweergat en Sijenborg. Fonteinenkamp zal aan de Fonteinstege liggen, Weffelkate is de ons bekende Wevelkate en Zweergat is ook bekend; de twee andere perceelen heb ik niet kunnen vinden. Sijenborg bij Beekspring zou het eene kunnen zijn, doch dit ligt niet op Tancenberg.
De naam Achter- en Alter Staepel bevestigt mijne opvatting, dat hier of zeer nabij het Rochues een heidensch heiligdom is geweest waar ook godenbeelden waren opgesteld. Ik zal tot goed verstaan van dit woord, dat ook in het vroeger vermelde Stapelbroek, bij het Geldersche dorp Hengelo, voorkomt en ook in Stapelaken bij Beest, het huis van Stapelen te Boxtel, Stapelvoort bij Voorst, Stapel te de Wijk in Drenthe en te Echteld in Gelderland, in Stepelo ten noorden van Haaksbergen en in Wegestapelen (in 1046 Weggestapolon) tusschen Bathmen en Holten, mededeelen, wat in de Deutsche Mythologie van Grimm daarvan gezegd wordt. "Elk jaar komt te Hildesheim op Zaterdagavond na laetare een boer met twee houten blokken en twee kegelvormige houten, die op de eerste geplaatst worden. De jeugd gooit deze laatsten met steenen er af. De kegels stellen heidensche goden voor, de eene was Jupiter, de andere is onbekend." (Blz. 158, Ie band). Blz. 7, IIIe band: “ Tot deze oude gebruiken van godenwerpen op läterdag behoort ook het volgende te Paderborn. In den domhof te Paderborn, daar waar de god Jodute zoude gestaan hebben, werd tot in de XVle eeuw den dag dominica laetere een soort beeld op een (stange) staak gestoken en door de voornaamsten van het land daarnaar met stokken geworpen totdat het op den grond viel. Het overoude geslacht der Stapel had den eersten worp en rekende het zich tot een bijzondere eer dat dit voorrecht erfelijk was. Het afgeworpen beeld werd door de kinderen bespot en zij speelden daarmede; de adelijken hielden een gastmaal. Na het uitsterven der familie der Stapel, in 1545, liet men dit gebruik na."
In een oud trouwboek te Oldenzaal, vond ik op 1725 vermeld een Berentjen Gerritzen Ten Stapel en in 1722 een Jan van het Rookhuis. Ook Albert Helhuis en Hendrik Wevelkotte worden vermeld. Uit het medegedeelde blijkt duidelijk dat Staepel een plaats was waar een of meer godenbeelden waren opgesteld, hetzij op een voetstuk of op een staak, stange, waarnaar waarschijnlijk de Stakenbeek is genoemd. Dr. Knappert verhaalt dat de Longobarden op de graven van gesneuvelden stangen plaatsten met houten duiven er op en ook van een kerk "ter stang" op eene plaats waar zulke stangen stonden (Blz. uit de beschavingsgesohiedenis der Longobarden, blz. 53).
Halfweg Oldenzaal-Enschede lag het "Hilligenhuesken" te Lonneker, waarin een beeldje stond van St. Jacobus. Deze kapel stond tusschen de Dötkerplaats en 't Berkinkhof, zuidwaarts van den Doodenstag. Blijkbaar is hier op eene plaats waar de dooden werden vereerd, op de wijze' zooals hierboven is vermeld, door de Christenen een kapel gebouwd, die tot 1820 in gebruik bleef. Bij Grimm, Myth. s. 442, staat: "Andr. 2466; stapulus storme bedrifene eald enta geveorc". Dus oud reuzenwerk, zooals de hunnebedden genoemd worden.
Volgens de Lex Salica van H. Geffken is stapplus latijn uit het obd. Staffel,staffol, ags. stapol, staffel, treppe. Vgl. staffolum reqis, Königsgericht. Rib. 33, I; 67,5; 75. Volgens Kern beteekent stappl een paal, een kolom. Het woord duidt dus heiligdom en ook qerechtsplaats aan. De hel staat op een oude kaart als Kattengat geteekend, een bewijs te meer voor de vereering van Holda op deze plaats. De inwoners van Helmond hebben den bijnaam Katten.
Bij Druffotinck heb ik vermeld hoe de Gluininge zich lange de grenzen noordwaarts beweegt en achter het Rochues verdwijnt en bij de Koekoek hoe een wit veulen uit een boom komt, zich in dezelfde richting beweegt en in het Paardengat in de Helbeek onzichtbaar wordt. Langs den kunstweg is een wagen gezien, met twee paarden bespannen, komende van Oldenzaal. Ter hoogte van Holst zag iemand dat uit den wagen vuur werd geworpen. Voorbij het Rockhues keerde de wagen om, weer werd er vuur uitgeworpen en verdween daarna in de lucht. Deze spookverschijning werd waargenomen door Olde Wolsing, koster in de Lutte.
Zeer opmerkelijk is het dat 1,5 kilom. Noordwestelijk van Nijkerk het huis Salenstein ligt en 2,5 kilom. oostwaarts daarvan de buurtschap Hell met de Groote en Kleine Hell en de Rookhuizen, dus dezelfde namen als in de Lutte. Een Hoonhorst ligt iets noordelijker. Ik heb de overtuiging, als men de omgeving van de vele plaatsen die hel heeten, nauwkeurig naging, dat men dan over vele zaken die de godenvereering van onze voorouders betreffen, een beter inzicht zoude krijgen.

Als wij nu onze wandeling in oostelijke richting, vanaf het Rochues langs den kunstweg vervolgen, dan ontwaren wij reeds spoedig zuidwaarts van den weg het Crusselsche bosch, waarin de hoeve Groot Cruissel of Crussel ligt. Noordwaarts behooren de bosschen ook tot het Crussel; Olde- en Nieuwe Crussel liggen noordelijk van en nabij den weg. Waarschijnlijk is Crussel een naam dien de Christenen daaraan hebben gegeven in de plaats van een uit den heidenschen tijd die hun aanstoot gaf. In de Elfter Heurne, waarvan reeds zeer vroeg een groot gedeelte aan de abdij van Werden werd geschonken, komt dit meer voor. Ik zeg waarschijnlijk, omdat het opvallend is dat bij de buurtschap Tange te Onswedde in de onmiddellijke nabijheid, maar toch over de grenzen, in Nieuwe Pekela, de buurtschap Kruiselwerk ligt. In ongeveer 900 wordt het "Crucilo" genoemd en woonde daar een persoon Gerolf; in 1440 wordt vermeld "grote crucele" en "luttike crucele; dit laatste is het kleine Crussel bij Druffoting, waarvan het ene halue waer ghecoefft heeft (blz. 7). In 1619 heeten zij "Grote Cruissel" en "Lutticke Cruissel”. Zonder nadere gegevens is het onmogelijk te bepalen hoe de oude naam van het landgoed was.
Op den Bentheimerweg bij Crusselsmaot spookt het grijze veulen en ook zuidelijk van Grote Crussel op den Lutter Esch. Ook deze verschijningen geven geen opheldering over den ouden naam. Olde Crussel is in 1900 afgebrand en herbouwd. Bij de opruiming van het puin zijn zooveel veldkeien voor den dag gekomen, dat er meer dan één hunnebed van zou kunnen gebouwd worden.
Noordelijk van den kunstweg bij Olde Crussel stond vroeger een eikeboom, waartegen een kruisbeeld was bevestigd. Volgens overlevering werd daar op de kruisdagen gepreekL Een hoog opgeworpen bergje, het domineesbergje, ligt daar nabij; voor ongeveer 100 jaren heeft dominee Palthe dit laten opwerpen.
Een honderd passen westelijk van het bergje ligt in het bosch eene weide, vroeger bouwland, met den naam Roes- of Reuschgaard. De boeren hebben wel eens gehoord dat dáár een Rus zou begraven zijn; ik vermoed echter dat het dezelfde beteekenis en afleiding heeft als Roesschenberg of Rosing, dus met de maan of met reus in verband staat. De herberg het Zwaantje ligt hier nabij, of dit eene toevallige benaming is in deze streek van Elven en Schwanenfrauen, dan wel of de naam van ouden datum is, heb ik niet kunnen ontdekken. Zwanida is een bekende persoonsnaam in Twentbe.
Aan de oostzijde van den weg naar de Völcker, iets noordelijker dan het Zwaantje, stond vroeger een huisje Veerman genaamd, bewoond door Leuverinck. Is de juiste naam veer, fähr of wel fahrmann? In het laatste geval zou de naam met Varwerck in verband kunnen staan; in de andere gevallen met de wilde jacht die zich in Thüringen door een Fährmann laat overzetten, evenals de dwergen. Niet ver van hier ligt de helbeek uit de Groote Hel, terwijl bij de Veermate, westelijk van Oldenzaal, de Schiplei stroomt.

Ongeveer 15 min. gaans oostwaarts en ook noordelijk nabij den kunstweg, ligt de groote hoeve de Wolsing (1440) of Wolsinck. Woll of Wol is meestal een naam die aan de godin Holda wordt gegeven doch ook wel aan Wodan, zooals in den familienaam Wolrabe; voor dien God wordt echter meer Wold gebruikt. Hier in Wolsing bebben wij bepaald met Holda te doen. Wolchandrud is een heksennaam in verband met de godin; een zwarte kat spookt op den kunstweg voor de hoeve. De heer S. moest gedurende eenige dagen daar 's avonds voorbij, tegen ongeveer half elf. Steeds zat een zwarte kat op dezelfde plaats met glinsterende oogen naar hem te kijken. Geen van de buren bezat zulk een kat, waarom hij besloot haar dood te schieten. Tot dicht bij het dier naderde hij met een pistool, zoodat het niet mogelijk was het te missen, doch op het schot, dat niet raakte, liep de kat slechts eenige passen weg.
De geheele Elfter huije was in het bijzonder aan Holda gewijd, hoewel de vereering van Wodan en Freyer daar ook plaats had. Dit merkten wij reeds op bij onze eerste wandeling en zullen daarin nog nader versterkt worden. In het nabijgelegen Borgsdal vertoont zich eene witte dame, zooals ik bij de Molter huije heb vermeld. Ook te Hengelo is eene hoeve Wolsink; bij Ruurlo een Wolsenhuis en bij Bolsward een dorp Wolsum, bij Bladel een Wolwinkelsche hoeve en Wolboom tusschen Aalten en de Radstake. Ongeveer 4 kilom. zuidw. van Zelhem liggen Wolsinck en Wolschot.
Aan den kunstweg ligt de hoeve Croep, volgens oude geschriften Crop; mogelijk staat die naam met oogst in verband.
Ten zuiden van den kunstweg liggen de hoeven Lamberting (1440), Lambertinck (1619), nu Lammertman en de drie Bavels met Bavels Esch. Lamb is volgens de' Lex Salica klein, en in het Engelsch is het een lam, dus zou het de hoeve van den lammerman zijn. Verder kan ik omtrent de afleiding niets mededeelen. Te Stegeren, gemeente Ambt Ommen, ligt een hoeve die vroeger Lambertijnck werd genoemd, nu ook Lammertman.
Het marckeboeck vermeldt "grote en luttike Bauel (1440, 1619)". Tegenwoordig bestaat ook een hooge Bavel. Wat den naam betreft, zooals ook een dorpsnaam bij Breda luidt, merk ik op dat die van St. Bavo, de beschermheilige van de kerk te Haarlem en van Gent kan komen, doch ook van een koning, een held die Bavo heette en voor wien te Bavay, in Henegouwen, een zuil op de markt zou opgericht zijn, van welk punt zeven heerwegen uitliepen (Grimm, s. 327). In 1565 wordt in de Lutte de plaats "ten Baevell" genoemd. St. Bavo was uit een Nederlandsch geslacht gesproten en stierf in 655. Bij de hoeven spookt het grijze veulen en de Gluininge in de Onlanden; Bij hoog-Bavel ligt aan de zuidoostzijde een groote moerassige weide, "Onlanden" in het algemeen; doch ook "Bavelsmaot" genoemd. De Slotbeek loopt er door; een voetpad over een platten steen snijdt de beek. Daar zou een vroegere bewoner van Bavel in het moeras verzonken zijn; soms hoort men zijn geest God en hulp roepen om hem te verlossen. Een twist tusschen de bewoners van de hoeve zou aanleiding tot dit ongeval hebben gegeven.
De beek stroomt naar het zuiden en zuidwestelijk van de Lutterkerk, ik weet niet of het daar nog Elfter dan wel Molter huije is, vormt zij een kleinen vijver die ongeveer 5 meters breed en 6 meters lang is; het omringende land heet de Slotmaot of -bleek naar het Slothuis dat daar vroeger heeft gestaan. Een oude spoorwegwerker vertelde mij het volgende als hem persoonlijk (?) overkomen bij die Slotvisscherij, zooals de vijver wordt genoemd. Hij ging daar jaren geleden met nog een paar knapen van zijn leeftijd met een schepnet visschen. Weldra schepten zij twee biggen in het net op en hoewel zij over die vangst zeer verbaasd waren, daar zij te voren niets in het water hadden bespeurd, streelden zij de diertjes; toen echter een van de jongens het net weer ophaalde met drie biggen er in, begrepen zij dat er tooverij in 't spel was en liepen snel weg. Dit verhaal staat mogelijk in verband met het everzwijn van Freyer, maar hoe komt die man daaraan en verzekert in het bijzijn van verscheidene personen, bij alles wat hem lief is, dat hij waarheid spreekt?
Het Rijs- of Reisthuis ligt nabij de spoorbaan. De naam staat waarschijnlijk in verband met het engl. rice, dat garenwinder en haspel beteekent, dus betrekking heeft op Holda. Ook worden boomtakjes rijss, tunrijs genoemd. Omtrent de hoevenamen Boerprins, Swedersboer en Prins kan ik niets mededeelen.
Wij gaan bij Prins over de spoorbaan naar de hoeve Hilligeholt. Vroeger stond die hoeve iets lager op de helling van den berg. Zij werd afgebroken, zelfs de waterput werd gedempt. Ik vond bij de hoeve de plaats waar een, waarschijnlijk Christelijk, bedehuisje heeft gestaan, waarbij een mispelboom groeit. Volgens pastoor Geerdink hebben alle hoeven en bosschen die heilig worden genoemd, dit te danken aan een kapel of kruisbeeld. Ik kan dit niet aannemen zoo min hier, als bij den Duvels- of Hilligenhof. Ik geloof dat toen de Christen-Franken dit land overwonnen, alle heilige heidensche plaatsen, die toen geen vaste eigenaars meer hadden, aan kloosters en kerken werden geschonken, hetgeen dikwijls met naamsverandering gepaard ging. Bij het opheffen van die kloosters werden die plaatsen staatsdomein, dat in deze landstreek, ik vermeen in 1814, publiek werd verkocht. Vele oude namen bleven echter door het volksgebruik bewaard.
Hilligeholt wordt niet onder de oudhoeven vermeld; in het boek van Lutter markeregt staat alléén op blz. 70 op het jaar 1619 vermeld: »5 schaer per M. Bauel 1 waer per h. holt mit 13 vereken 31/2 waer". Mogelijk is het in oude tijden geen hoeve maar alléén een heilig bosch geweest. Een beekje loopt ongeveer van de plaats waar vroeger de hoeve stond, in noordoostelijke richting naar de spoorbaan en vormt daardoor in die richting een strook moerassige weide, die "Hilligeholts helle" heet.
Dicht bij de spoorbaan, bij die beek, stond in vroegere jaren "Swarte Kote" (1440), Swarte Kotte (1619). De namen helle en Swarte kotte staan hier ontwijfelbaar met elkander in verband. Holda zal hier als doodsgodin, onder den naam van Hölle of Hellia vereerd zijn. Als zoodanig is zij half wit, half zwart of geheel in 't zwart gekleed. Opmerkelijk is het dat men vertelt dat dáár eene dame verschijnt, die geheel in ‘t wit gekleed is. In 1790 staat een Harm. Hilgeholt vermeld; in 1773 Elisabeth Swartkate. In Munsterland is ook een Hilligeholt (Grimm); in Broeckhuysen, gem. Dalfsen is een Hillige Camp.
Bij de Poortstad, in Molter huije, sprak ik reeds het vermoeden uit dat Hilligeholt zich tot dáár heeft uitgestrekt. In dit terrein liggen de hoeven Deppenbroeck, in 1440 en 1619 Depenbroeck en Woltersboer of Woltershuis. Wolterken, Wouterken is een huisgeest en Depenbroec ligt in een dal; deze hoeven zullen daarnaar hunne namen hebben gekregen. Bij Woltersboer ligt de Wolthgrin Esch. Mogelijk staat de naam ook met Wodan, Wold in verband.
Westelijk van Hilligeholt liggen de hoeven Steenbeke en Olde Steenbeke, in 1440 Stenbeke en in 1619 Steenbecke genoemd, naar een kleine beek. Geen van de omliggende hoevenamen geven dus aan of behalve frau Hölle ook nog andere goden in dit woud werden vereerd, tenzij de iets meer verwijderd gelegen Berndinck daarmede in verband heeft gestaan en Woltersboer van Wodan komt. Dan zoude Wodan daar ook zijn vereerd.

Wij gaan langs de westzijde van Hilligeholt naar de laagte om de spoorbaan weder te overschrijden; het verdere gedeelte, de Flederhoek, toch van de Elfter huije, dat ten zuiden van die baan ligt, bezochten wij op onze eerste wandeling. Spoedig zijn wij bij de groote oudhoeve Bernding (1440), Berninck (1619), nu Groot Beerninck genoemd. Deze hoeve wordt in oude geschriften wel eens in vereeniging met Hilligeholt vermeld. In Bernd zit duidelijk Berend, zoodat wij niet lang behoeven te zoeken om hier een hoevenaam, die met Hackelberend, Wodan in verband staat, te onderkennen. De weg die langs de oostzijde van de hoeve loopt, is de doode weg van de Poortstad en Hilligeholt, over het Crussel naar Oldenzaal.
Eenige honderden meters ten noorden van de hoeve loopt een weg, oost-west, die den Monnickenhof zuidelijk laat liggen en langs den Koppelboer naar Oldenzaal voert. Aan dien weg, dicht bij de Berndinck, zooals ik de Beerninck zal noemen, ligt eene oude gerechtsplaats der boeren Berndincksbuske genaamd. Deze gerechtsplaats is onder de vele soortgelijke plaatsen in deze landstreek nog de eenigste die in haren oorspronkelijken toestand bewaard is gebleven. Zij heeft den vorm van een halven cirkel, ongeveer 56 passen lang; de, middellijn ligt aan den weg. Werf of circulus was gelijk gerechtsplaats. Daar de aanliggende akkers hooger dan de weg liggen, loopt de wand van de plaats hellend daartegen op, terwijl het binnengedeelte dezelfde hoogte als de weg heeft. Deze vorm is het best te vergelijken met een half schoteltje met oploopenden rand; Vroeger stonden in die ruimte eenige boomen, nu slechts één niet groote eik en een kleine hazelaar. Het gedeelte dat van deze plaats aan den Heer H. Gelderman Sen. behoort, wordt niet bebouwd, een klein gedeelte dat aan de erven Richter Palthe is gekomen, is helaas omgeploegd en bij den akker ingelijfd. Met weinig moeite en kosten zou deze. plaats in den ouden toestand terug te brengen zijn en voor de toekomst bewaard kunnen worden. Het grijze veulen vertoont zich op den weg en bij de gerechtsplaats. Klein Berndinck is een nieuwe hoeve.
In de marcke Driene is ook een hoeve Berendinc. De zoogenaamde Olde Berndinck, bewoond door Loeksbats, wordt ten onrechte zoo genoemd, de hoeve heet Olde Monnickhof.

De hoevenaam Schoef komt waarschijnlijk van Schiw dat in Twenthe tuinspook, molik, leelijk mensch beteekent. Schiw of Schif is één met schich in schichtig, schuwachtig. Eng. eschew, schuwen; Isl. sky, ijzing. Vocab. 1472. priapus, een vede, (mentula) vel een scu in eenen hof (Halbertsma, Overijss. Almanak 1836). Schoef kan ook met den oogst in verband staan en schoof beteekenen.

De Groote Monnickenhof ligt nabij en zuidwestelijk van Groote Berndinck. Hij is de hoofdhof van Elfter huije, die naar hem is genoemd. In 900 heet hij Eluiteri, die reeds zeer vroeg, volgens Geerdink reeds in 804, aan de abdij van Werden werd geschonken, terwijl ook dáár de administratie over de vele goederen in deze landstreek aan die abdij behoorende, werden geregeld. In 900 wordt vermeld "de officio Grimheri in Eluiteri". Er woonden toen een Ricbraht en een Hatharad. In 1280 wordt de hof genoemd Eluetre, in 1423 Monijckijnckhoff in Elueter, in 1440 Monekinckhof en in 1619 Monnichoff. De heidensche naam Elvetre beteekent Elfen-boom, agls. tree is boom.
Over de elfen heb ik op onze wandelingen reeds gelegenheid gehad het een en ander mede te deelen, zoodat ik daar nog maar weinig aan zal toevoegen. Zij worden voorgesteld als kleine popachtige wezens en worden onderscheiden in wit- of lichtalfen en donkere alfen, dökalfar (genii obscuri), die zwarter dan pik waren; de eerste woonden op en boven den grond, de laatste onderaards. De blank of licht alfen schijnen de oorspronkelijke te zijn en hebben hun naam naar hun kleur; ook de witte zwaan heet alpiz en elps, de vrouwennaam Swanhildis komt in een charter van 1295 voor. Alfen kunnen zich in zwanen veranderen.
De elfen kunnen zich ook onzichtbaar maken; zij hebben een kindergestalte, doch zijn ouder dan het menschengeslacht; de lichtelfen zijn welgevormd, de zwartelfen zijn leelijk en mismaakt. Ze zijn kunstig in allerlei handwerken, listig, diefachtig, menschenhulp behoevend. Zij wonen in bergen, ook in bronnen en boomen en bezitten schatten. Zij vormen een afzonderlijk volk en worden door eene koningin geregeerd, die vrouw Holda of Hölle heet. Hunne vorsten wonen in prachtige onderaardsche paleizen. Wanneer zij ongestoord blijven houden zij vrede met de menschen en bewijzen hen diensten; daarentegen behoeven zij de hulp van vrouwen voor in barensnood zich bevindende elfinnen, van verstandige mannen bij het verdeelen van schatten en het beslechten van twisten. Eindelijk leenen zij gaarne een zaal voor hunne bruiloften en samenkomsten, maar beloonen deze diensten door goud en kleinoodiën, die den beschonkenen geluk aanbrengen. Zij beminnen muziek en dans en dansen in de weilanden voor zonsopgang, waar kringen op het gras aanwijzen waar hunne rijen zich bewogen hebben; iemand, die eens daarvan getuige was, had de elfen daarna in een zeef door de lucht zien verdwijnen.

Den elfen wordt ten laste gelegd dat zij hunne kinderen voor die van de menschen ruilen. Zulke kinderen heeten “wisselkinderen", wechselbälge, krielkropf. Zij zijn ijverige spinsters en weefsters; de herfstdraden, Marienfaden, worden door hen gesponnen. Ook de verborgen' eigenschappen van planten en steenen zijn hun bekend; de wilde wijn heet Alfpape en Bitterzoet, een slingerplant Alfrank.
In Noord-Brabant en ook in België vertoonen de elfen zich op vele plaatsen; b.v. bij Eersel, waar hunne woonplaatsen Alfenbergen, Abergen, Alsbergen en elders Alvinnenberg heeten. In Westphalen ligt een dorp Alfhausen. In België wordt Wanne Tekla als hunne koningin genoemd; op andere plaatsen in Nederland en Duitschland Holda en in verband daarmede heeten zij het Huldrefolk. De Christenen noemden hen Elfsgedroch en rekenen hen tot de duivelen. Bijnamen van de elfen zijn: .Eckerken, Heimchen, Flabbaert, Flerus, Langewapper, Lodder, Nachtridders, Nachtmerrie, Oschaert, Stoep, enz.

Zonderling dat er omtrent den Monnickenhof geen overlevering bestaat. Wel zegt men heeft daar nabij een klooster gestaan, doch daar de hof aan een klooster behoorde, wordt dit verward. Het oude huis is afgebroken en op dezelfde plaats is een nieuw gebouwd. Mogelijk heeft een nog ouder huis gestaan in de weide, zuidelijk van het tegenwoordige gelegen.
Wilmesberch (1440) of Wilmsbroeck (1619); Hoef- of Hoffstede (1440, 1619); Neder- of Nedderhuiss (l440, 1619) heb ik niet kunnen vinden en zijn waarschijnlijk door andere namen vervangen, reeds in 1778 worden zij niet meer genoemd. Visschedyck (1440) of Vischedyck (1619) is afgebroken, het moet gelegen heb ben bij de Grevenmaot, bij Woltersboer. De beteekenis van den naam heb ik niet kunnen vinden.
Schipholt heette vroeger die Kotte Maatjans, bijgenaamd Pot- of Putjong; hij zal bij de pottebakkerij werkzaam zijn geweest, die daar nabij was.
De Brilboer ligt nabij Monnickenhof en geeft geen aanleiding tot opmerkingen evenmin als de Kateeker, dat eekhoorn beteekent, en Olde Scholtenhuis dat bij Lutticke Crussel ligt. Christenhuis, Munninck en Kottem verklaren zich zelf.
Zoo zijn wij weder bij het Rockhues gekomen en tevens aan het einde van onze wandelingen. Van eene villa Eythera is in de geheele Marcke der Lutte geen spoor te vinden. In 1440 waren de erfexen van de hoeven Monekinchof, grote Bauel, Haer en Vlederrode geschwaeren. In de geheele Elfter huye is ons gebleken, dat Holda, frau Hölle met haar geheele gevolg van elfen en witte vrouwen de hoofdgodheid was die daar vereerd werd, doch dat Wodan en Freyer daar ook vereering vonden, de eerste ook als wilde jager. Zoo verre plaatsnamen en overleveringen nog aanwijzingen geven omtrent de oude godenvereering te Oldenzaal, in de Marcken van Berghuizen en der Lutte, hebben wij die nagegaan.

Van eene godin Tanfanae echter is geen spoor te vinden, en toch geloof ik dat de templum quod Tanfanae vocabant (Tacit. Ann. I, 50), die in het jaar 14 n. Chr. door de Romeinen werd verwoest, op den Tancenberg heeft bestaan. Ook Van der Aa en Weeling zijn van dit gevoelen. Volgens deze schrijvers was Tanfanae een godin, ook,Grimm en Van den Bergh zijn van deze meening. Zij vermelden zelfs eenen steen, in het Napelsche gevonden, met het inschrift "Tamfanae sacrum". 'In het jaar 14 zullen er nog wel geen steenen met inschriften, die op Tanfanae betrekking hadden, bestaan hebben. Eene zóógenaamde moedergodin kan door het woord niet bedoeld zijn, voor eene zoodanige godheid die een plaatselijk karakter heeft, loopen geen drie naburige germaansche stammen te wapen; wat kon het de Bructeren, Tubanten en Usipeten aangaan of bij de Marsen zulk eene ondergeschikte godheid werd beleedigd. Het kan niet anders of er is bij Tacitus sprake van een heiligdom, aan germaanscbe goden of godinnen gewijd, dat aan allen even dierbaar en vereeringswaardig was. Dat Holda of Frikke hier onder den naam Tanfanae zoude vereerd zijn, is hoogst onwaarschijnlijk, dan zoude men dien naam later of elders nog wel eens ontmoet hebben. Ik zal eenige inzichten, van geleerden, die over deze zaak aanmerkelijk verschillen, mededeelen. Aan "Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak" 1819, ontleen ik het volgende. De Romeinen verbasterden erg de germaansche namen, zoodat die van Tanfana onbegrijpelijk is. Volgens eenigen is Tan in het duitsch gelijk aan “Den" en "fan" in het gotisch en teutonisch eene Godheid; Tanfan zoude dan zoo veel zijn als God van de denneboomen of een bosch- of woudgod en men vergelijkt hem met Pan, de veld- of veegod der Romeinen of den God van het heelal volgens de Grieksche beteekenis van het woord. Anderen vergelijken het woord met Fannen, woudgoden, in het gotisch Fanen of Foonen genoemd en in het Romeinsch Silvanis.

Engelberts in de "Aloude staat en Geschiedenissen der Nederlanden", Dl. IV, blz. 157-159, deelt het bovenstaande mede, doch gelooft dat het beteekent "Aanvank" van oud “‘t Anvank" 'of "Tanvank" en dan zoude het God zijn, de Eerste en de Laatste.

In het werkje van Suffridus Petrus de Scriptoribus Frisae, in hetwelk in het leven van M. Alvinus, die in ca. 1400 leefde, staat: In de uitgelezen schriften van Hubertus Schotus wordt uitdrukkelijk gezegd dat T’anfane een tempel geweest zij van de oude vaan of vaandel van Vriesland, in gebruik al 300 jaren, vóór de komst der Romeinen.

Dr. P. A. A. Boeser, Conservator bij het museum van Oudheden, te Leiden, schrijft mij: “Deze godin was hoogstwaarschijnlijk eene soort Vesta. Tamfana is niets anders dan Tamf + ana; ana is een achtervoegsel zooals bij Hludana = Hlud-ana; Tamf met ingevoegde nasaal is dezelfde stam dien men terug vindt in het Sanskrit tap-as = gloed, vuur, Latijn tep-or = warmte; tepidus = laaw en in vele andere woorden der Indo-Europeesche talen."
Volgens het Klassisch Woordenboek van Dr W. Hecker, is Tanfanae een oud-germaansche vuur- of boschgod tusschen de Ems en de Lippe. Buddingh in "Verhandeling over het Westland", houdt Tanfanae voor eene wichelaarster of priesteresse, die door het opwerpen van rijsjes of takjes, teentjes, de toekomst voorspelde. Vulpius verstaat door Tan het noodlot, fana, machtig, derhalve het "noodlot machtig", en houdt diensvolgens Tanfana, voor eene godin, die het lot bestuurt. Mr. Van den Bergh ziet in Tanfanae eene godin zoals reeds is gezegd. Hare tempel zoude uit een steenen altaar bestaan hebben, in een woud en van een schutting omgeven.

Zooals, onder de Marsen, door mij is medegedeeld, plaatsen Esselen en Seibertz den tempel op een adelijk landgoed Ten- of Tum Fahnen geheeten; Meinders bij eene plaats die Dampfpfanne heet; Reinking, Tyrell en Sökeland in het oude heilige bosch "de Syther"; Dr. Wilhelm, te Münster; Von Strombeck plaatst den tempel te Hamm; Schaten in Tecklenburg; Gronovius bij Zuthpen; Joachim Happer in Vriesland. Dr. Rosemeyer, Hertius en Giefers gelooven dat de tempel van Tanfanae en de Irminzuil, bij de Eresburg dezelfde zijn. Giefers neemt bovendien aan dat de tempel bij de Cherusken, Chatten en Marsen behoorde. Hij zou den naam dragen van een heilig bosch, gelegen op de plaats van de oude Eresburg; nu Obermarsberg geheeten, dat door de Romeinen verbrand werd. Een overgebleven tronk zou de Irminzuil zijn. In Zedlerschen Universal-Lexicon wordt hij op den Bentheimerberg geplaatst, en Tessenmacher die de Marsen bij Ootmarsum zoekt, zal den tempel wel nabij die plaats vermoeden, evenals Picardt (blz. 98).
Men ziet dat vele geschiedschrijvers aan een godin Tanfanae denken, anderen aan een plaatsnaam die zo luidt.
Hoe Giefers aan een tempel van de Cherusken en Chatten komt, volksnamen toch die nergens in verband met de tempel genoemd worden, is mij alléén verklaarbaar, door aan te nemen dat hij door zijn plaatsing der Marsen zuidelijk van de Lippe geen raad wist met de Tubanten en Usipeten, die Tacitus uitdrukkelijk noemt als volkeren, die den smaad hunnen goden, of als men wil Tanfanae, aangedaan, op de Romeinen wilden wreken. Noch Cherusken, noch Chatten hebben iets met Tanfanae te maken. Grimm zegt over "Tamfanae sacrum", het inschrift dat in het Napelsche is gevonden, dat het woord duitsch moet zijn en gevormd als Hludana, Sigana, Liutana (Lugdunum , enz., blz. 64). Op blz. X noemt hij Tanfanae een vrouwennaam. Op blz. 213 zegt hij: "zoowel de naam als het wezen der godin ligt in diepe duisternis." Op blz. 231 tracht hij van Trempe, een naam van Holda, in de Nordgau van Frankenland, Stempe te maken en vindt bet niet te gewaagd om dien naam in verband te brengen met Tanfanae. Op blz. 221 vermeldt hij dat Tanfa aan den oudn. mansnaam Dampr of aan den obd. wortel Damph herinnert.
Na hetgeen ik in mijn voorgaande aanteekening over de woonplaatsen der Marsen heb medegedeeld, in wier land de tempel Tanfanae lag, is het natuurlijk dat ik met de vermelde opvattingen omtrent de ligging van het heiligdom met geen der geschiedschrijvers, dan met
Weeling en Van der Aa medega, doch alléén wat de ligging betreft, niet met hunne zienswijze dat het woord eene godin betreft. Ootmarsum en Bentheim zouden, wat ligging betreft, in aanmerking kunnen komen, indien op die plaatsen aanwijzingen daarvoor waren; nu die echter ontbreken en alléén aanwezig zijn op den Tancenberg, heb ik de overtuiging gekregen, dat dáár de door Germanicus verwoeste tempel heeft gestaan. De reden waarom ik niet aan eene godin Tanfanae geloof, deelde ik reeds mede; ook is het onwaarschijnlijk dat het heiligdom het verblijf was van eene waarzeggende vrouw, zooals Veleda was. Tacitus spreekt daar niet over terwijl hij anders toch zeer zeker hare gevangenneming zoude vermeld hebben. De mogelijkheid is echter niet uitgesloten, dat zulks toch het geval is geweest, maar dàn heeft haar naam ook niets gemeen gehad met de woorden templum Tanfanae.

Tanc, tang, zou volgens de geleerden eene hoogte beteekenen omringd door moeras- of veengronden. Bij eIken berg heeft men aan zijn voet zulke soorten van grond; bij Tancenberg alléén aan de noordwest- en noordzijde. Deze determinatie gaat hier dus niet op. De Tange te Onswedde, een buurtschap, ligt in moerassig land, ook Boertange (Bourtagne!); deze plaatsen schijnt men gebruikt te hebben voor de determinatie, want het huis Tenk te Zelhem; Tangelder een buurt te Herwen in Gelderland en de Tangerij te Diepenveen liggen niet in of nabij moerassen. De Tangerij te Diepenveen bestaat uit twee hoeven, de groote en de kleine Tangerij; de laatste schijnt van jongen datum te zijn. Door den aanleg der spoorbaan schijnt echter de oude buitenplaats van dien naam te zijn verdwenen. De plaats ligt onmiddellijk bij de gemeentegrens met Olst en daar waar de marcken van Rande, Tjoene en Hengforden aan elkander grenzen. De Tangerij die in de marck Rande ligt strekt zich uit tot in Hengforden, eene omstandigheid, waarop ik moet wijzen en ook daarop dat daar geen veengronden zijn.

Op den Tancenberg hebben wij in de eerste plaats de gerechtsplaats het Sweer Gatt in Tancenkampje; dan de gerechtsplaatsen in Oldenzaal; voorts den niet gevonden Thebult, aan de Thestege bij Landreben, en dan nog het Berndingsboschje. Alléén reeds door deze plaatsen zouden wij den berg een gerechtsberg mogen noemen, doch er bestaat een familienaam die zulks bevestigt. In Duitschland, nabij onze grenzen, bestaat de naam Tangerding; o. a. een advokaat te Bocholt heet zoo. Deze naam komt ontwijfelbaar af van geding of ding van de Tange. Volgens Grimm (R. A.) vorderde de klager zijn schuldenaar voor het gerecht in bijzijn van getuigen: De Franken noemden dat "mannire", "ad mallum mannire". Hetzelfde schijnt ook "tanganare", ohd. “zengan" .te beteekenen , zegt hij.

Heinrich Geffken bij de Lex Salica zegt: tancono, ook "tangano ", is een nog niet geheel bevredigend verklaarde uitdrukking in de frankische rechtspleging.

De soorten van gerechten die op Tancenberg zitting hadden, zijn niet meer nauwkeurig vast te stellen, met uitzondering van dat op den Thebult. Deze soorten zijn toch zeer verscheiden, en hebben namen naar verschillende bijomstandigheden.
Grimm geeft o. a. de volgende op:
1. Naar de wijze van verzamelen zijn alle gerichten ungebotne of gebotne.
2. Naar den omvang, in land-, gau-, dorf-, weichbiltgerichten. In Friesland mêne-, liuda-, brêdera- en smele warf.
3. Naar den stand der dingplichtigen, in eigen-, ritter-, lehen-, mann- en freigerichten. Bij dit laatste heetten de rechters freigraven, de oordeelers freischepen en de boden freiboden.
4. Naar den voorzitter, als grafen-, vogts-, schulzen-, probst-, pfleggerichten.
5. Naar de plaats waar het werd gehouden, in feld-; weide-, holz-, forst-, hain-, lage-, hagel-, berg-, gruben-, brücken-, staffel-, stuhllinden-; bohnen- en klutengerichten.
6. Naar het doel, als: zins-, rüge-, wassergericht, de laatste vooral over het ophouden van het water voor de molens.
7. Nachgeordneten, afterdinge. Na de bodding kon een fimelding plaatshebben.
8. Voor vreemdelingen heetten zij gast-, nothgerichten, notding.
9. Scheidsgerechten.
Het is niet gewaagd om nu vast te stellen welk gerecht in het Tancenkampje of Sweer Gatt zitting hield. Het is het tot nu toe onvoldoend verklaard gerecht, tangano, tancona, ohd. zengan.

De vraag is nu, werd het gerecht naar de plaats waar het vergaderde zóó genoemd, of heette dit soort gerecht zóó en gaf het aan de plaats den naam. Mij dunkt, dat het laatste het geval is. Tanganare toch drukt eene handeling uit, onafhankelijk van een plaatsnaam. Brouwerij is een plaats waar wordt gebrouwen; weverij een plaats waar wordt geweven en nu Tangerij? Zou dat niet een plaats zijn waar wordt getangd of recht gesproken? Bovendien is volgens Kiliaan "Tinghe" gelijk aan" Tanghen". Mij dunkt deze redeneering juist en dan beteekent Tancenberq, gerechtsberg, en Tancenkampje of Sweer Gatt, gerechtskampje. Als wij nu opmerken dat dit kampje tot twee marcken behoort en de Tangerij ook tot twee, mogelijk tot drie marcken, dan is het gerecht dat op de plaatsen van dien naam vergaderde meer geweest dan een gewoon gerecht van marckgenooten. Trouwens deze plaats moet reeds gediend hebben tot gerechtsplaats onder de oud-Franken en zal door de Saksen ook gebruikt zijn voor hetzelfde doel.

En nu hetgeen wij van de oude godenvereering op Tancenberg hebben gevonden, behalve het heiligdom in Oldenzaal zelve. Bij de Siemert, de Sunnengaard, aan de Zon gewijd. Bij Brand en bij Brandsmaote, den God Balder, wiens offeraltaar ongeveer 200 passen van Tancenkampje lag. Bij het Rochues, Holda als spinster; bij Holst mogelijk hare woonstede. Bij de Weffelkate de vereering van de Maan. Bij het paardengat en Tüpisgaard sporen van. Wodansvereering, evenals bij Hothèrmaote. De Gluininge, den wagen die vuur uitwierp, de Roesgaard, kunnen wij tot geen bepaalde godheid in betrekking brengen. Van het heilig boschje met het perceel land "heilig stuk" is ook niet aan te wijzen tot welke godheid het heeft behoord. De Stakenbeek, waarvan wij de naamsbeteekenis reeds vroeger opgaven, duidt hier op het oprichten van godenbeelden, evenals de namen van het Rochues, die Achterstapel en Alter Staepel.

Op een terrein, dat enkele hectaren groot is, vinden wij dus nabij de gerechtsplaats bepaalde plaatsen waar de Zon, de Maan, twee goden en de godin Holda werden vereerd. En hoeveel is in den loop der eeuwen niet verloren gegaan of niet meer op te merken! Bij de gerechtsplaats waren dus één of meer heiligdommen; ik vermoed dat zij te zamen één geheel uitmaakten. Hoe heette nu deze heilige plaats? Het Tancenkampje was de verzamelplaats voor het gerecht Tancono of Tangano genaamd. De groote rechtspreker Balder had in de nabijheid zijn heiligdom evenals andere goden. Ik heb de overtuiging, dat dat heiligdom Tancfana heette. Op blz. 59 vermeldt Grimm in een aanhaling uit het leven van s. Amandi (ca. 674), over de woud- en boomvereering van de noordelijke Franken, tweemaal het woord fana in de beteekenis van heidensch heiligdom. Op blz. 66 fana idolorum en op blz. 68 zegt hij: "im 5. 6. 7 und 8 jh. kommen, wie ich dartgethan habe, castra, templa, fana bei Burgunden, Franken, Longobarden, Alemannen, Angelsachsen und Friesen vor." Zie verder bij Van den Bergh, Myth. onder Tempels. Voorbeelden genoeg om ieder te overtuigen dat fana gelijk heidensch heiligdom is. Dat Tacitus Tanfanae schreef in plaats van Tancfanae, zal wel geen bezwaar zijn; hij toch schreef naar hetgeen hem werd medegedeeld zonder de beteekenis van het woord te kennen en hoe werden de germaansche namen soms door de Romeinen naar hunne uitspraak veranderd, ja soms onkenbaar gemaakt. Nog blijft ons over om te onderzoeken waaruit Templum Tanfanae vocabant bestond. Grimm zegt op blz. 68 dat zeer waarschijnlijk het heiligdom van Tanfana, geen gewoon woud was, daar Tacitus zich anders bezwaarlijk van de woorden "solo aequare" (gelijk met den bodem gemaakt) zou kunnen bediend hebben.

Tempels, in de gewone beteekenis van gebouwen, kan ik echter bezwaarlijk aannemen, dat in het jaar 14 bij de Germanen bestaan zouden hebben. Hunne tempels waren wouden waarin heilige plaatsen of één heilige plaats lag. Een boom, bron of steen was het voorwerp van vereering, omdat de goden dáárin huisden.
Tancenberg is volgens de legende in het bijzonder een Hunnenberg; met Hunnen schijnen hier Celten, de voorgermaansche bevolking aangeduid te worden. Deze Celten nu worden aangewezen als de bouwers van de hunnebedden. Hoe zulke graven, die mogelijk in vroegere jaren onder een heuvel bedolven waren, voor offer- en heilige plaatsen werden gebruikt, heb ik bij de bespreking van den Oldenzaalschen steen vermeld. De naam Achter- of Alter Staepel duidt op zulk een graf; Stapulus toch wordt "eald enta geveorc", oud reuzen werk, genoemd, waarmede hunnebedden worden bedoeld. Mogelijk ook dat Roesgaard, dat Reusgaard kan beteekenen, en welke plaats slechts eenige honderden passen van het Rochues af ligt, ook een plaats was waar een hunnebed heeft gestaan.
De hunnebedden op Tancenberg, die te zamen templum Tancfanae vormden, zijn dan door de Romeinen,in het jaar 14 met den grond gelijk gemaakt, "solo' asquare". Dat er in deze landstreek zulke graven hebben bestaan, heb ik bij Oldenzaal reeds besproken. In de "Geschiedenis van het graafschap Bentheim", door W. F. Visch, staat vermeld, dat in het kerspel Ulzen zulke ontzagwekkende
steenhoopen, als men thans nog in Drenthe aantreft, in vroegere dagen werden gevonden. In Augustus 1819 ontdekte hij zulk een steengevaarte tusschen Ulzen en Getelo, 3 1/2 uur gaans van Oldenzaai. Dat in Bentheim en Twenthe nu niet één zulk een reuzengraf meer over is, moet ons niet verwonderen. Deze landstreken hebben eeuwenlang bisschoppen tot landsheeren gehad, die evenals de eerste zendelingen, de Conciliën, de Synoden en de Capitularia der Vorsten, de strengste maatregelen tot derzelver vernieling hebben genomen (Westendorp , blz. 92). Natuurlijk werden die orders in een land, waarvan de Christenen een middelpunt voor het verkondigen van hunne leer hadden gemaakt en de oude heilige plaatsen geestelijke goederen werden, met alle strengheid toegepast. Dat templum Tancfanae in een heilig bosch lag, moeten wij voor zeker aannemen; het heilig boschje op Tancenberg is daar nog een bewijs van; de naam Crucilo duidt op een bosch, Tancenkampje grenst aan het Mierenbosch en het geheele terrein tusschen Middelkamp (Sweergat) en den Bentheimer weg is nu nog bosch en grenst aan het Crusselsche, het heet de Whimorsdennen.

In welke verhouding dit heiligdom tot dat in Oldenzaal heeft gestaan, kunnen wij niet meer bepalen. Mogelijk is dit laatste ontstaan na het jaar 14; mogelijk was dit alléén voor de gaue, terwijl het eerste internationaal was, daar drie andere volkeren den smaad hunnen goden aangedaan door de verwoesting daarvan, hebben willen wreken. Dàn zonde een van de redenen voor de verwoesting geweest zijn, wraak van de Romeinen, omdat aan de goden van die germaansche volkeren, gevangenen van het leger van Varus waren geofferd. Templum -Tancfanae was voor de Germanen in het jaar 14 hetzelfde als de Irminzuil voor de Saksers; ook beiden werden verwoest. Dat dit heiligdom na de verwoesting nog als eene heilige plaats werd gebruikt, ook door de Saksen, daar getuigen nog de vele opgenoemde plaatsnamen en legenden voor, daar die anders zeer zeker niet tot ons zouden zijn gekomen. Ik hoop dat ik de juiste woorden heb kunnen vinden, om de lezers van deze verhandeling mijne overtuiging te doen deelen, dat de tempel Tanfanae genoemd, in het land der Marsen op Tancenberg, bij Oldenzaal, heeft gestaan.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen