zaterdag 30 april 2011

Kampen (1925): Historisch overzicht

HISTORISCH OVERZICHT

Arent to Boecop, de kroniekschrijver van Kampen, schrijft ergens, dat hij in de archieven van zijn vaderstad vergeefs gezocht had naar een bericht over het ontstaan van de stad Kampen. Deze woorden zou men nog kunnen herhalen. Wel is er een brief van 1227, die over een vischwater bij Kampen spreekt, maar het officieele stuk, dat van Kampen een stad maakte, de stadbrief, die in zooveel oude steden met zorg bewaard werd tot den huidigen dag, is reeds sedert langen tijd verloren gegaan. Toch mag men vermoeden, dat de landsheer, de bisschop van Utrecht, dit stadrecht omstreeks 1240 verleend heeft.
Het merkwaardige is, dat reeds eenige jaren later - zoo snel is blijkbaar de opkomst der nieuwe stad geweest - Kampen een zeehaven blijkt te zijn van beteekenis. Terwijl Tiel en Urecht als handelsplaats naar den achtergrond schoven, kwamen de IJselsteden naar voren, Kampen het meest. De landen om de Oostzee waren juist in opkomst; men haalde daar, wat het Noorden schonk: visch, koren, hout, pelswerk, men bracht er waren uit deze en Zuidelijker gelegen streken, zooals zout, wijn en laken. Vooral de landstreek aan weerszijden van de Sont trok veel vreemden, het eerst visschers, want de rijkdom aan haring was hier toen fabelachtig. Kampen speelde daar reeds in de 13e eeuw een belangrijke rol. Het had er 's zomers een heele nederzetting, waar een "voogd" leider en ook vertegenwoordiger der stad was. In het museum van de Zweedsche stad Lund ziet men een metalen grafplaat, afkomstig uit de oude kerk van Skanör, met dit opschrift:

Hier leghet Diederic Brant van Campen, die staerf up den 7 dach in Piet-maent (= Augustus) Ao.Di. 1368. Bid over de ziele.

Zoo begrijpt men de oude uitspraak, dat Kampen uit Schonen is gebouwd - want Schonen is de naam voor dit deel van Zuid-Zweden. Die Schonensche handel maakte de Kampenaren tot vrachtvaarders langs de kusten van een groot deel van West-Europa. In de 14e en 15e eeuw kwam men in de Oostzee tot Reval, Zuidwaarts zeilde men naar de wijnstreek om Bordeaux en naar Spanje. Maar de schippers staken ook over naar Engeland en voeren den Rijn op tot Keulen. Vaak hadden ze vracht van de kooplieden in het machtige Brugge; hier werden hun schepen 's winters wel opgelegd, om 's zomers weer uit te varen.
In 1416 had Kampen 120 schepen, die zooals men toen zei, "buten duynen" voeren; de grootte van de stad moet men echter met middeleeuwsche maat meten; zij had niet meer dan 12000 inwoners.


Foto: De Rooms-Katholieke kerk

De aandacht der stadsregeering was voortdurend gevestigd op de handelsbelangen der stad; de burgemeesters waren veelal bekwame en veelbereisde mannen, die onderhandelden met vreemde vorsten en met Lübeck en andere steden van den stedenbond der Hanze. Kampen zelf is niet altijd Hanzestad geweest en heeft zelfs meermalen tegenover de Hanze een eigen politiek gevoerd; eerst van 1441 af is Kampen een volgzaam lid van den bond.
De bloeiende handel bracht welvaart, die zich manifesteerde in den bouw van een monumentaal raadhuis en van eenige kerken; ook van fraaie koopmanshuizen, in wier gevels de invloed op te merken valt van Vlaanderen. In de 15e eeuw wordt het nog bestaande Gotische huis opgetrokken, "het laatste zichtbare teeken van Kampens grootheid op handelsgebied in de Middeleeuwen".
Talrijke kloosters herbergde de stad binnen hare muren, b.v. het Franciscaner klooster, waarvan het kerkgebouw als Broerkerk nog bestaat. Buiten de poorten vond men in Brunnepe het rijke jufferenklooster Johannes de Dooper, dat een tijdlang 120 nonnen telde; aan de overzijde der rivier stond op den Zonneberg in Mastenbroek een Karthuizer klooster. Verder moeten nog genoemd worden de vele stichtingen en organisaties, die zich belastten met armenzorg, steun aan ouden van dagen en ook zielszorg; dat waren de gasthuizen, de z.g. vergaderingen en de memoriën of broederschappen.
In denzelfden tijd verwierf Kampen zich een kostbaar bezit in het Kamper Eiland. Toen n.l. Mastenbroek, het moeras tusschen IJsel en Zwarte Water in 1364 verdeeld werd onder de omliggende marken, kreeg Kampen als aandeel de eilanden tusschen de deltaärmen van den IJsel, "mit alle dye anwassen van dien" . Juist door deze aanwassen is genoemd bezit voortdurend in beteekenis gestegen. Schat men de grootte in de 14e eeuw op ongeveer 550 H.A., thans bedraagt de oppervlakte meer dan 3600 H.A.

Verder vertier bracht de nijverheid, in het bijzonder de laken- en de bierbrouwerij. De visscherij op den IJsel was niet zonder beteekenis. De befaamde steuren - die aan de Kampenaren hun bijnaam bezorgden - werden veel gevangen. Bij de verpachting van het vischwater in de 14e eeuw werd veelal bedongen, dat de pachter aan het stadsbestuur als toegift op de pachtsom een steur van zes of acht voet moest leveren.
Een eigenaardig bewijs voor de betrekkingen met verre landen is het, dat de stad in 1447 uit Lissabon twee leeuwen ten geschenke ontving, die "aldaer onderholden en de voele jonghen worpen in den leewentorren". Een "lewenwaere" verzorgde ze. Later deed Kampen er op haar beurt eenige aan Lübeck cadeau. Een Kamper koopman van dien tijd, Bernt Morre, leverde aan den Franschen koning Lodewijk XI, die er ongewone liefhebberijen op nahield, kleine roofdieren, welke hij uit Noorwegen aanvoerde.

Omstreeks 1500 trokken zich echter wolken boven de stad samen. De IJsel werd armer aan water en de monden der rivier verzandden aan de zeezijde. Wel poogde men het vaarwater te verbeteren, o. a. door het gebruik van baggermolens, maar afdoende verbetering werd niet bereikt. Drie eeuwen lang bleef de toestand van den waterweg naar zee en naar binnen zorg geven. Deze toestand was een der voornaamste oorzaken van den achteruitgang der stad. Hierbij kwam, dat na 1500 om de Oostzee voortdurend strijd was; de Hanze zakte toen ineen. Binnenlandsche strijd kwam daarbij: het was de tijd van den onrustigen Karel van Gelre en zijn beruchten helper Maarten van Rossum.
Het laatste deel van de regeering van Karel V bracht weer rust en ook meer welvaart. De strijd om het geloof was echter ook in Kampen uitgebroken. Wederdoopersche vrouwen werden van de IJselbrug in den IJsel gejustificeerd, zooals men dat toen noemde. Ook de brandstapel heeft er gerookt.
Twee dienaren van de kunst uit dien tijd verdienen vermelding. De eerste is de bekwame schilder ERNST MAELER, wiens in 1552 voltooide Laatste Oordeel nog altijd in de Schepenzaal van het oude Raadhuis hangt. De tweede is de "prins der klokgieters", GEERT VAN WOU, wiens gietsel in eenige Kamper torens te vinden is en verder nog in menigen kerktoren in en buiten ons land. Een eeuw later treffen we weer twee bekende geelgieters aan, n.l. HENDRICK WOLTERSZ. WEGEWAERT en KILIAEN WEGEWAERT.
De Italiaan Guicciardini, die in de 16e eeuw een beschrijving der Nederlanden gaf, noemt Kampen "een seer treffelijcke, groote, ende schoone stadt ", gelegen aan den IJsel, "ghelijck een hantboghe, de pese zijnde de riviere, die daer breedt is .... "
Maar de 80-jarige oorlog begon. In 1572 verscheen graaf Willem van den Bergh met een Nassausch leger voor de stad, die hij in naam van den Prins van Oranje opeischte; na een kort beleg moest men zich overgeven. Veel hadden de burgers van de vreemde bezetting te lijden; toen echter eenigen tijd later Don Frederik, Alva's zoon, naar de IJselstreek oprukte, verlieten de Nassausche soldaten de stad. Kampen werd echter genoodzaakt Spaansch garnizoen te ontvangen.
In 1578 kwam er verandering. Rennenberg besloot toen de IJselsteden aan den Spaanschen landvoogd Don Jan te ontnemen. Zoo begon een tweede beleg, waarbij de belegerden zoo in nood geraakten, dat ze het zilverwerk van de stad lieten omsmelten om er noodmunten van te maken. Nadat Rennenberg bres geschoten had, gaf de stad zich over. Voor de Katholieken begon nu een moeilijke tijd; de kerken hadden een beeldenstorm te verduren en de kloosterlingen werden verjaagd. Gelukkig werd na 1600 het oorlogsgevaar steeds geringer. In de dagen van den Munsterschen vrede was de toestand zoo gunstig, dat men zich de weelde veroorloofde een toren te bouwen, niet bij een kerkgebouw behoorende, maar alleen als sieraad der stad bedoeld, en voorzien van een fraai carillon.
VINGBOONS bouwde dezen toren, nu de Nieuwe toren genoemd, HEMONY zorgde voor het klokkenspel.

FRANCISCUS MARTINIUS bezong toen in de Camper Lof zijn geboortestad. In den trant van Huygens prees hij de kunstige IJselbrug, "de schoonste Brugh van Nederlants rivieren". Eenigen tijd later wijdde ROELOF WANINGH in zijn Geestelycke Cruythof (1651) vele regelen aan Kampen, prijzende de deugden
"Dier keyzerlyke stadt, aan Drusi grift gelegen,
Seer konstelijk gesticht, bedauwt met gulden regen .... "

Het Kampen van die dagen is vastgelegd door het penseel van HENDRIK AVERCAMP, anders genoemd de Stomme van Campen, wiens schitterend wintergezicht op de stad, met een bewegende menigte op het ijs op den voorgrond, nog een sieraad is van de burgemeesterskamer ten stadhuize.
In het rampjaar 1672 bezetten de Franschen Kampen. De stad werd door dit garnizoen geducht lastig gevallen. Tal van ingezetenen verdwenen tijdelijk of voorgoed. In 1675 klaagde men er over, dat 600 huizen geabandonneerd waren en de helft daarvan onbewoonbaar was. Een deel van die huizen werd weggebroken; de open ruimte werd beplant met boomen en kreeg zoo den naam Plantage. Op deze plek staat nu de overdekte botermarkt.
In het laatst der 17e eeuw vestigden zich verschillende gevluchte Fransche Hugenoten in Kampen; ze brachten er een reeds gevestigde industrie tot grooten bloei, de fabricage van trijp, een weefsel van wol of katoen, met een bekleeding van mohair of geitenwol. In 1694 werd aan ABRAHAM GALLé vergund een trijpfabriek op te richten, onverminderd de rechten van anderen, die dat bedrijf reeds uitoefenden en onder verplichting om binnen een half jaar 25 à 30 weefgetouwen regelmatig werk te geven. Haar besten tijd beleefde deze tak van nijverheid in het midden der 18e eeuw, toen er ongeveer 600 trijpwevers waren.

In de 18e eeuw leefde Kampen haar leven van rustige provinciestad, middelpunt eener weiderijke omgeving, waar ook de regentenheerschappij van die eeuw soms hare gebreken toonde. Wel voelde men nu en dan de deining der groote gebeurtenissen op politiek en maatschappelijk gebied.
De Patriottentijd bracht meer beroering. Een patriotsch exercitiegenootschap werd in 1784 opgericht, het heette "Voor Vrijheid en Eendragt" en oefende zich ijverig op den Zandberg in IJselmuiden. J.L. van Laar Mahuet, de donderpoëet, vervaardigde twee marschen, die na een zomeroefening met een aanspraak, ook in poëzie, aan den commandant werden overhandigd. Aan dat dichtstuk ontleenen we deze geestdriftige regelen:
"Houd moed - o Bato's kroost - verwin of sterf als Belgen,
Bewaart en speer en hoed, zijt Fiere Bato's telgen,
Vertrouw op Neerlands God, als Christ en Patriot,
Strijd voor uw Vaderland en fnuijkt het Slavenrot" .

Twee vaandels, met een vrijheidsbeeld getooid, werden in 1786 uitgereikt. Maar toen de troepen van Willem V in Hattem, waar Daendels de leider der anti-stadhouderlijke partij was, de orde herstelden, was het met het Kamper vrijkorps, dat nagenoeg niets gedaan had om de partijgenooten in Hattem te helpen, spoedig gedaan. Zonder verzet werd het in 1787 door de stedelijke regeering ontbonden.
Een bekend Kampenaar uit Napoleons dagen is de vice-admiraal JAN WILLEM DE WINTER, leider van onze vloot in den zeeslag bij Kamperduin, waar hij door de Engelschen geslagen en gevangen genomen werd. Hij overleed in 1812 te Parijs. Negen jaar later werd zijn hart bijgezet in de Bovenkerk te Kampen, waar reeds in 1813 een eenvoudig monumentje was opgericht.
In den avond van 13 November 1813 bracht een afdeeling Kozakken een kort bezoek aan de door het Fransche garnizoen reeds verlaten stad. Men meende, dat het uur der bevrijding gekomen was, maar tijdens den dankstond ter gelegenheid van dit heuglijk feit rukte een Fransche krijgsmacht Kampen weer binnen en bracht de stad in staat van verdediging. Den 20en November verschenen de Kozakken echter opnieuw aan de overzijde van den IJsel. De burgerij opende de Vischpoort, die voor de IJselbrug was gelegen. De held van den dag was de schoorsteenveger Benvenuti, die de openstaande klapbrug sloot en zoo aan de Kozakken gelegenheid gaf om de stad te bezetten. Kampen was nu inderdaad vrij!


Foto: Oude gevel in de Graafschap (het huis met de Dolfijnen)

Een bezoeker van 1821 vond Kampen nog binnen hare vestingwallen liggen, die hij fraai met boomen beplant noemt; omstreeks 1840 zijn ze opgeruimd. Hij wandelde langs de rivier, die, zooals hij zegt, "schoone gezigten oplevert, zoo op de over dezelve liggende landerijen, als op de haven en de bijzonder schoone IJsselbrug, die 723 Rijnlandsche voeten lang (d.i. 227 M.) en 20 voeten breed is, rustende op acht zoogenaamde jukken van zwaar paalwerk".
Een belangrijk ding was het, dat de weg naar zee in dezen tijd zeer veel verbeterde. In het laatst der 18e eeuw was de waterhoeveelheid van den IJsel vermeerderd door een betere verdeeling van het Rijnwater op de splitsingspunten boven Arnhem. In 1826 werden aan den IJselmond de 2500 M. lange Ketelkribben gelegd, die in 1839 met 900 M. werden verlengd en in 1869 met 800 M. Door vernauwing van het rivierbed en indamming der zijarmen werd de uit schuring van het Keteldiep bevorderd en de vaargeul op peil gehouden.
Deze werken kwamen tot stand, toen het stoombootverkeer zich op onze rivieren begon te ontwikkelen. In 1824 was de eerste stoomboot, in Rotterdam gebouwd, den Rijn opgevaren tot Bacharach. In 1837 werden op dezelfde Rotterdamsche werf, drie booten gebouwd voor de juist gestichte Rijn- en IJsel Stoomboot Maatschappij, die een dienst begon van Amsterdam over Kampen naar den Rijn. Ook het verkeer over zee begon weer op te leven; men voer op Hull en Londen, Hamburg en St. Petersburg. In 1847 werden b.v. 53 zeeschepen ingeklaard, terwijl er 48 uitvoeren.
Veel gegroeid in inwonertal was Kampen niet; in 1840 telde het 9000 ingezetenen. De trijpindustrie verkeerde in verval; in 1843 waren er nog 3 trijpfabrieken met 50 getouwen en 1 trijpdruk- en pletterij. In 1890 werd de laatste weverij, die van de gebroeders Bosch, opgeheven. Een nieuwe industrie was echter in opkomst. In 1839 waren er in Kampen 4 "tabaksfabrijkanten", I.S. Stibbe, de firma Fels en Van Spangen, G. Hendriks en J. G. van Riemsdijk. Nu begon men zich op de vervaardiging van sigaren toe te leggen. In 1845 was er één sigarenfabriek, die van de firma Leemkuhle, welke Duitsche arbeiders had meegebracht om haar bedrijf te beginnen. Vooral door de energie van W.G. BOELE SR., die uit de kringen der vroegere wevers werkkrachten verkreeg, kwam de nieuwe industrie tot grooten bloei, ook door verzending naar het buitenland. Ze groeide zoozeer, dat in 1910 26 sigarenfabrieken in Kampen waren.
In dit milieu van een welvarende burgerij ontwikkelde zich een opgewekt geestelijk leven, zooals men dat wel vaker aantreft in provinciale centra. De uitingen en werken van deze plaatselijke vernuften zijn vaak door historici, ook kunsthistorici, die te veel naar Holland en de groote steden keken, niet genoeg gewaardeerd. We noemen J. VAN WIJK Rz., den leider van een instituut met een uitstekenden naam, schrijver van een groot geografisch woordenboek. Verder JURRIAAN MOULIN, den schrijver der Historische Kamper Kronyk. Hij was Shakespearevertaler en redacteur van de Kamper Courant.
"Geestig blaadje, dat zoo vaardig
's Lands gebreken kennen doet".

Dan moeten CHRIS en HENDRIK JAN HEIN genoemd worden, twee gebroeders, waarvan de eerste Drentsche en Achterhoeksche landschappen schilderde en de tweede voortreffelijke stillevens. Een kunstbroeder was J.J. FELS, aan wien we verschillende stadsgezichten te danken hebben; bovendien was hij de schrijver van de Kamper Stukjes, waarin op rijm zijn gezet de spreekwoordelijke staaltjes van onnoozelheid, die op rekening staan van Kamper burgers.


Foto: Uit vroegere dagen: Parade op de Zandberg (Instructie-Bataljon)

Onder het burgemeesterschap van JHR. H.A. WTTEWAALL VAN STOETWEGEN (1841-1866) vielen er nog een paar dingen voor, die van blijvend belang waren.
Bij Koninklijk Besluit van zo Nov. 1850 werd het Instructie-Bataljon opgericht, dat jongelieden zou opleiden voor onder-officier bij de infanterie. Men begon met 180 manschappen. De eerste jongeman, die zich verbond, was A. Luymes, in 1886 gepensionneerd als generaal-majoor bij het Indische leger. Toen het gouden feest dezer instelling in 1900 werd gevierd, had het 17000 vrijwilligers voor den dienst bekwaamd. De feestredenaar, luitenant-kolonel Koolemans Beynen, sprak toen van een forschen eik! Maar de tijden veranderden; op 1 October 1924 is het Instructie-Bataljon opgeheven. De tijd moet leeren, of dit een verbetering is geweest. In 1877 kreeg Kampen den Hoofdcursus, dienende tot opleiding voor officier, welke inrichting in 1923 naar Breda werd overgeplaatst.
In 1854 besloot de Synode der toenmalige Christ. Geref. kerk tot oprichting van een Theologische School te Kampen. Deze stichting, die bij haar opening in hetzelfde jaar op zeer bescheiden voet was ingericht, groeide langzamerhand tot een centrum van theologische studie.

Den 10en Mei 1865 verkeerde Kampen in feestelijke stemming. De aansluiting aan het spoorwegnet, dat langs Zwolle naar het Noorden werd doorgetrokken, was voltooid, en de eerste trein uit Zwolle stoomde binnen; volgens den nauwkeurigen berichtgever van deze gebeurtenis had deze zijn eerste reis in 14 minuten en eenige seconden gedaan. Die aansluiting beteekende het begin van een nieuwe periode, welke ook werd ingeleid door de oprichting van een H.B.S. (1868), die in 1883 met het gemeentelijk Gymnasium, sedert 1847 opvolgster der oude Latijnsche scholen, in een nieuw, ruim gebouw onder dak werd gebracht. Omstreeks 1880 mocht men zeggen, dat Kampen reden had, tevreden te zijn. De inkomsten overtroffen de uitgaven, dank zij de toenemende baten van het Kamper Eiland. De houten IJselbrug werd in 1877 vervangen door
een monumentale ijzeren brug. Hoofdelijke omslag werd niet geheven. Menigeen vestigde zich in de stad, waar het leven goedkoop en gezellig was, waar het stadsbeeld een heel eigen cachet had en het landschapsbeeld van weiden en hoog geboomte verlevendigd werd door de breede, zich vertakkende rivier. Het inwonergetal groeide van 9000 (in 1840) tot 18000 (in 1900).
Wat de industrie betreft, was het een ding van belang, dat zich in het laatste der 19e eeuw een nieuwe tak van nijverheid ontwikkelde: de snelgroeiende emaillefabrieken der firma BERK, die reeds in 1910 500 arbeiders telden. Ook de fabricage van meubels, magnesium en zeep kwam tot bloei, door de veerijke omgeving werd de zuivelindustrie van belang, die zich vooral toelegde op de export van gecondenseerde melk en andere melkproducten. Het oude drukkersbedrijf bleef Kampen trouw. Oud, want reeds in de 16e eeuw was PETER WARNERS b.v. een bekend drukker; in de 18e en de eerste helft der 19e eeuw waren AEGIDIUS VALCKENIER en K. en L. VAN HULST bekende namen. Later werd J.H. KOK een drukkersfirma van beteekenis.
Overzien we de laatste 20 jaren stadsgeschiedenis, dan merken we op velerlei gebied verandering. Na een tijd van groote zuinigheid in het gemeentelijk beheer, die den financieelen toestand van thans gezond heeft gemaakt, kwam er een tijd, dat er uitgegeven moest worden, voor nuttige of noodige dingen. Toch gelukte het, door voorzichtig beheer, de crisisschulden spoedig af te betalen en den ingevoerden Hoofdelijken omslag voor 1924 met 30% te verminderen.


Foto: Burgwal en Vloeddijk

Kampens burgerij weet haar verleden te eeren! Het kostbare oude archief wordt met zorg bewaard. De oude gebouwen, monumenten uit vroeger eeuwen, worden in stand gehouden; het gemeentebestuur geeft in dat opzicht een goed voorbeeld. Een verblijdend teeken van belangstelling in de historie der stad is de oprichting van de Stichting Campen (1918). die zich ten doel stelt de bevordering der kennis van het heden en verleden van Kampen en omstreken. Ze opende haar interessant Museum in 1920 in hetzelfde Gotische huis, waar de Openbare Leeszaal en Bibliotheek gevestigd werd.
Kampen ziet ook vooruit! De afsluiting en droogmaking der Zuiderzee opent een nieuw vergezicht. Niet alleen een vergrooting van marktgebied, maar ook een nieuwe aanknooping van water- en landwegen bij de stad en daardoor een belangrijke verbetering van hare verkeersligging.
Het gemeentebestuur en de nijveren van Kampen zijn bereid, van de natuurlijke voordeelen, die Kampen biedt als plaats van vestiging niet alleen, maar ook als plaats van bedrijf, ten volle partij te trekken. Haar uitstekende ligging aan een diep vaarwater, de aanwezigheid van een rustige arbeidersbevolking, de gemoedelijkheid van omgang bij haar burgers, waar eenvoud van leven verbonden wordt gevonden met zin voor traditie en soliditeit in zaken - dat alles mag zonder schroom vermeld worden. Gelegen te midden van een rivierlandschap, frisch en ongerept - niet, zooals in Holland vaak, vervuild en bedorven - in de onmiddellijke nabijheid van een der mooiste Veluweranden, wijst Kampen niet alleen op haar schitterend middeleeuwsch verleden, maar ook op haar heden, dat beloften inhoudt voor de toekomst.

H.J. Moerman

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen